Art. 91 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012, Afzien van invordering van een vastgestelde schuldvordering

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012

1. De bevoegde ordonnateur kan slechts geheel of gedeeltelijk van de invordering van een vastgestelde schuldvordering afzien in de volgende gevallen:

a) wanneer de verwachte kosten van de invordering hoger zijn dan het te innen bedrag en het afzien van invordering geen afbreuk zou doen aan de reputatie van de Unie;

b) wanneer het niet mogelijk is de schuldvordering in te vorderen wegens de leeftijd ervan of wegens insolventie van de debiteur;

c) wanneer de inning afbreuk doet aan het evenredigheidsbeginsel.

2. In het in lid 1 bedoelde geval neemt de bevoegde ordonnateur alle procedures die van tevoren bij elke instelling zijn vastgesteld in acht en past hij de volgende verplichte criteria toe die onder alle omstandigheden moeten worden toegepast:

a) de aard van de feiten gelet op de ernst van de onregelmatigheid die aanleiding heeft gegeven tot de vaststelling van de schuldvordering (fraude, recidive, opzet, medewerking, goede trouw, kennelijke dwaling);

b) de gevolgen die het afzien van invordering van de schuldvordering voor het functioneren en de financiële belangen van de Unie zou hebben (betrokken bedrag, risico een precedent te scheppen, afbreuk aan het gezag van de norm).

Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan de ordonnateur ook de volgende aanvullende criteria in aanmerking moeten nemen:

a) de eventuele mededingingsvervalsing die het afzien van invordering van de schuldvordering zou meebrengen;

b) de economische en sociale schade die de volledige inning van de schuldvordering tot gevolg zou hebben.

3. Het in artikel 80, lid 2, van het Financieel Reglement bedoelde besluit om van invordering af te zien, wordt gemotiveerd en vermeldt de voor de invordering gedane stappen en de juridische en feitelijke elementen waarop het berust. De bevoegde ordonnateur gaat bij het afzien van invordering te werk overeenkomstig artikel 84.

4. Het afzien van de inning van een schuldvordering kan door de instelling niet worden gedelegeerd indien het gaat om:

a) een bedrag van 1 000 000 EUR of meer;

b) een bedrag van 100 000 EUR of meer, indien dit bedrag ten minste 25 % van de vastgestelde schuldvordering omvat.

Onder de in de eerste alinea genoemde drempelbedragen bepaalt elke instelling in haar interne regels de voorwaarden en de wijze waarop de bevoegdheid van de inning van een vastgestelde schuldvordering af te zien, kan worden gedelegeerd.

5. Elke instelling zendt het Europees Parlement en de Raad elk jaar een verslag toe over de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde gevallen waarin van de inning van schuldvorderingen van 100 000 EUR en meer is afgezien. In het geval van de Commissie wordt dit verslag gevoegd bij de in artikel 66, lid 9, van het Financieel Reglement bedoelde samenvatting van de jaarlijkse activiteitenverslagen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen