Art. 12 Verordening (EU) nr. 1151/2012, Namen, symbolen en aanduidingen
Verordening (EU) nr. 1151/2012
1. Beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen mogen worden gebruikt door alle marktdeelnemers die een product in de handel brengen dat in overeenstemming is met het desbetreffende productdossier.
2. Er worden symbolen van de Unie vastgesteld die zijn bedoeld om bekendheid te geven aan beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.
3. In het geval van producten uit de Unie die in de handel worden gebracht met een volgens de procedures van deze verordening geregistreerde beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding, worden op de etikettering de bijbehorende symbolen van de Unie aangebracht. Tevens moet de geregistreerde naam van het product in hetzelfde gezichtveld staan. De vermeldingen „beschermde oorsprongsbenaming” of „beschermde geografische aanduiding”, of de bijbehorende afkortingen „BOB” of „BGA” kunnen op de etikettering worden aangebracht.
4. Voorts kunnen de volgende zaken eveneens op de etikettering worden aangebracht: afbeeldingen van het geografische gebied van oorsprong, als bedoeld in artikel 5, en tekstuele, grafische of symbolische verwijzingen naar de lidstaat en/of de regio waar dat geografische gebied van oorsprong is gelegen.
5. Onverminderd Richtlijn 2000/13/EG, kunnen op etiketten naast de beschermde oorsprongsbenaming of de beschermde geografische aanduiding tevens collectieve geografische merken, als bedoeld in artikel 15 van Richtlijn 2008/95/EG, worden vermeld.
6. De in lid 3 bedoelde vermeldingen of de ermee verbonden symbolen van de Unie kunnen worden aangebracht op de etikettering van producten uit derde landen die in de handel worden gebracht onder een in het register opgenomen naam.
7. Om ervoor te zorgen dat de consument correct wordt geïnformeerd, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 56 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van de symbolen van de Unie.
De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen tot nadere bepaling van de technische kenmerken van de Uniesymbolen en de aanduidingen, alsook van de regels inzake het gebruik ervan op met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding in de handel gebrachte producten, inclusief regels betreffende de te gebruiken taalversies. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 57, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.