Art. 8 Verordening (EU) nr. 1178/2011, Voorwaarden voor de acceptatie van bewijzen van bevoegdheid van derde landen

Verordening (EU) nr. 1178/2011

1. Onverminderd artikel 12 van Verordening (EG) nr. 216/2008 mogen de lidstaten, voor zover er tussen de Unie en een derde land geen overeenkomsten zijn gesloten met betrekking tot de afgifte van bewijzen van bevoegdheid als piloot, de bewijzen van bevoegdheid van derde landen en de bijbehorende medische certificaten die door of namens derde landen zijn afgegeven, accepteren overeenkomstig de bepalingen van bijlage III bij deze verordening.

2. Kandidaten voor deel FCL-bewijzen van bevoegdheid die reeds houder zijn van ten minste een gelijkwaardig bewijs van bevoegdheid, bevoegdverklaring of certificaat dat door een derde land is afgegeven overeenkomstig bijlage 1 bij het Verdrag van Chicago, dienen te voldoen aan alle eisen van bijlage I bij deze verordening, behalve dat de eisen inzake cursusduur, aantal lessen en specifieke opleidingsuren kunnen worden gereduceerd.

3. De vrijstelling die aan de kandidaat wordt gegeven, dient te worden bepaald door de lidstaat waar de kandidaat een aanvraag indient op basis van een aanbeveling van een erkende opleidingsorganisatie.

4. Houders van een door of namens een derde land overeenkomstig bijlage 1 bij het Verdrag van Chicago afgegeven ATPL die voldoen aan de ervaringseisen voor de afgifte van een ATPL in de relevante luchtvaartuigcategorie vastgesteld in subdeel F van bijlage I bij deze verordening mogen volledig worden vrijgesteld van de eis om een opleiding te volgen vóór het afleggen van de theorie-examens en de vaardigheidstest, op voorwaarde dat het bewijs van bevoegdheid van het derde land een geldige typebevoegdverklaring bevat voor het luchtvaartuig dat zal worden gebruikt voor de ATPL-vaardigheidstest.

5. Typebevoegdverklaringen voor vleugelvliegtuigen of helikopters mogen worden afgegeven aan houders van deel FCL-bewijzen van bevoegdheid die voldoen aan de eisen voor de afgifte van die bevoegdverklaringen welke door een derde land worden vastgesteld. Zulke bevoegdverklaringen worden beperkt tot luchtvaartuigen die zijn geregistreerd in dat derde land. Deze beperking kan worden opgeheven wanneer de piloot voldoet aan de eisen van punt C.1 van bijlage III.