Art. 4 Verordening (EU) nr. 1178/2011, Bestaande nationale bewijzen van bevoegdheid als piloot
Verordening (EU) nr. 1178/2011
1. Bewijzen van bevoegdheid die vóór 8 april 2012 door een lidstaat zijn afgegeven of erkend gebaseerd op de JAR, worden geacht te zijn afgegeven in overeenstemming met deze verordening. Uiterlijk op 8 april 2017 dienen de lidstaten deze bewijzen van bevoegdheid te vervangen door bewijzen van bevoegdheid die beantwoorden aan het in deel ARA vastgestelde formaat.
2. Bewijzen van bevoegdheid die niet zijn gebaseerd op de JAR, inclusief alle bijbehorende bevoegdverklaringen, certificaten, autorisaties en/of kwalificaties die door een lidstaat zijn afgegeven of erkend vóór deze verordening van toepassing werd, worden door de lidstaat die het bewijs van bevoegdheid heeft afgegeven, omgezet in bewijzen van bevoegdheid conform deel FCL.
3. Bewijzen van bevoegdheid die niet zijn gebaseerd op de JAR en de bijbehorende bevoegdverklaringen of certificaten worden omgezet in bewijzen van bevoegdheid conform deel FCL overeenkomstig:
a) de bepalingen van bijlage II, of
b) de elementen die in een conversieverslag zijn vastgesteld.
4. Het conversieverslag moet:
a) worden opgesteld door de lidstaat die het bewijs van bevoegdheid als piloot heeft afgegeven, in overleg met het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart („het Agentschap”);
b) een beschrijving bevatten van de nationale eisen op basis waarvan de bewijzen van bevoegdheid als piloot zijn afgegeven;
c) een beschrijving bevatten van het toepassingsgebied van de bevoegdheden die zijn toegekend aan de piloten;
d) aangeven voor welke eisen van bijlage I vrijstelling wordt verleend;
e) eventuele beperkingen aangeven die moeten worden opgenomen in de bewijzen van bevoegdheid conform deel FCL en aangeven aan welke eisen de piloot moet voldoen om die beperkingen op te heffen;
5. Het conversieverslag bevat kopieën van alle documenten die nodig zijn om de in lid 4, onder a) tot en met e), uiteengezette punten aan te tonen, inclusief kopieën van de relevante nationale eisen en procedures. Bij de opstelling van het conversieverslag moeten lidstaten ernaar streven piloten zoveel mogelijk hun huidige bevoegdheden te laten behouden.
6. Onverminderd leden 1 en 3 dienen houders van een certificaat als instructeur voor klassebevoegdverklaring of een certificaat van examinator waaraan bevoegdheden zijn gekoppeld voor éénvlieger-gecertificeerde complexe vleugelvliegtuigen met groot prestatievermogen die bevoegdheden om te zetten in een certificaat als instructeur typebevoegdverklaring of een certificaat van examinator voor éénvlieger-gecertificeerde vleugelvliegtuigen.
7. Onder de volgende voorwaarden mag een lidstaat een leerling-piloot toestaan zonder toezichtbeperkte bevoegdheden uit te oefenen vóór hij voldoet aan de nodige eisen voor de afgifte van een LAPL:
a) de bevoegdheden zijn beperkt tot het nationale grondgebied of een deel ervan;
b) de bevoegdheden zijn beperkt tot een afgebakend geografisch gebied en tot eenmotorige zuigervliegtuigen met een maximale startmassa van hoogstens 2 000 kg, waarbij het vervoer van passagiers niet is toegestaan;
c) de autorisaties worden afgegeven op basis van een individuele veiligheidsrisicobeoordeling die wordt uitgevoerd door een instructeur nadat de lidstaat een voorlopige veiligheidsrisicobeoordeling heeft uitgevoerd;
d) de lidstaat dient om de drie jaar periodieke verslagen in bij de Commissie en het Agentschap.