Art. 71 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, Voorschotten

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011

1. De lidstaten kunnen de producentenorganisaties toestaan een voorschot te vragen ten bedrage van het gedeelte van de steun dat overeenkomt met de verwachte uitgaven voor het operationele programma in de periode van drie of vier maanden die begint in de maand waarin de aanvraag voor een voorschot wordt ingediend.

2. Aanvragen voor voorschotten worden onder de door de lidstaten vastgestelde voorwaarden ingediend, hetzij op driemaandelijkse basis in januari, april, juli en oktober, hetzij op viermaandelijkse basis in januari, mei en september.

Het totale bedrag van de voorschotten voor een bepaald jaar mag niet meer bedragen dan 80 % van het oorspronkelijk goedgekeurde steunbedrag voor het operationele programma.

3. De voorschotten worden betaald nadat overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie (12) een zekerheid is gesteld die overeenkomt met 110 % van het bedrag van het voorschot.

De lidstaten stellen de voorwaarden vast die moeten garanderen dat de financiële bijdragen in het actiefonds geheven zijn overeenkomstig de artikelen 52 en 53 van de onderhavige verordening en dat eerdere voorschotten en de overeenkomstige bijdrage van de producentenorganisatie daadwerkelijk zijn besteed.

4. Aanvragen om vrijgave van de zekerheden mogen, vergezeld van de nodige bewijsstukken, zoals facturen en documenten waaruit blijkt dat de betalingen zijn verricht, worden ingediend tijdens het lopende programmajaar.

De vrijgegeven zekerheden bedragen maximaal 80 % van de betaalde voorschotten.

5. Als primaire eis in de zin van artikel 20, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2220/85 geldt de uitvoering van de in het operationele programma opgenomen acties, met inachtneming van de in artikel 61, onder b) en c), van de onderhavige verordening bedoelde verbintenissen.

Indien niet aan de primaire eis wordt voldaan of bij ernstig verzuim ten aanzien van de in artikel 61, onder b) en c), bedoelde verbintenissen, wordt de zekerheid verbeurd, onverminderd andere op grond van hoofdstuk V, sectie 3, toe te passen sancties.

Indien aan andere eisen niet wordt voldaan, wordt de zekerheid in evenredigheid met de ernst van de geconstateerde onregelmatigheid verbeurd.

6. De lidstaten kunnen een minimumbedrag voor de voorschotten en termijnen voor de betaling ervan vaststellen.