Art. 142 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, Vrijstellingen van het aanvullend recht

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011

1. Het aanvullend recht wordt niet toegepast voor:

a) goederen die worden ingevoerd in het kader van de in bijlage 7 bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (19) (hierna „de gecombineerde nomenclatuur” genoemd), opgenomen tariefcontingenten;

b) goederen die naar de Unie onderweg zijn in de zin van lid 2.

2. Goederen gelden als onderweg naar de Unie als ze:

a) het land van oorsprong hebben verlaten vóór het besluit tot toepassing van het aanvullend recht, en

b) worden vervoerd met een vervoerdocument dat geldt vanaf de plaats van lading in het land van oorsprong tot de plaats van lossing in de Unie, en dat is opgesteld vóór het aanvullend recht van toepassing werd verklaard.

3. De belanghebbende partijen leveren ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs dat aan de in lid 2 bedoelde voorwaarden is voldaan.

Deze autoriteiten mogen er echter van uitgaan dat goederen het land van oorsprong hebben verlaten vóór de datum waarop het aanvullend recht van toepassing is geworden, als één van de volgende documenten wordt overgelegd:

a) bij vervoer over zee, het connossement waaruit blijkt dat de lading vóór die datum heeft plaatsgevonden;

b) bij vervoer per spoor, de vrachtbrief die vóór die datum is aanvaard door de spoorwegdiensten van het land van oorsprong;

c) bij vervoer over de weg, het CMR-contract (Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg) of elk ander douanevervoersdocument dat in het land van oorsprong vóór die datum is opgesteld, als aan de voorwaarden wordt voldaan die zijn vastgesteld in de bilaterale of multilaterale regelingen inzake uniaal of gemeenschappelijk douaneverkeer;

d) bij vervoer per vliegtuig, de luchtvrachtbrief waaruit blijkt dat de luchtvaartmaatschappij de producten vóór die datum heeft overgenomen.