Art. 137 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, Als basis te nemen invoerprijs

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011

1. De invoerprijs op basis waarvan de in bijlage XVI, deel A, vermelde producten in het gemeenschappelijk douanetarief worden ingedeeld, is, naar keuze van de importeur, gelijk aan:

a) de fob-prijs van de producten in het land van oorsprong, vermeerderd met de kosten van verzekering en vervoer tot aan de grens van het douanegebied van de Unie, wanneer deze prijs en deze kosten bekend zijn op het ogenblik waarop voor deze producten de aangifte voor het vrije verkeer wordt ingediend. Indien deze prijzen meer dan 8 % hoger zijn dan de forfaitaire waarde die bij de indiening van de aangifte voor het vrije verkeer voor de betrokken producten geldt, moet de importeur de in artikel 248, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 bedoelde zekerheid stellen. Het uiteindelijk op de goederen toe te passen invoerrecht is hiertoe gelijk aan het bedrag van de rechten dat de importeur zou hebben betaald wanneer de betrokken producten waren ingedeeld op basis van de forfaitaire invoerwaarde, of

b) de overeenkomstig artikel 30, lid 2, onder c), van Verordening (EEG) nr. 2913/92 berekende douanewaarde, uitsluitend toegepast op de betrokken ingevoerde producten. In dat geval worden de rechten in mindering gebracht overeenkomstig artikel 136, lid 1, van de onderhavige verordening. De importeur moet dan de in artikel 248, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 bedoelde zekerheid stellen, die gelijk is aan het bedrag van de rechten dat hij zou hebben betaald indien de producten waren ingedeeld op basis van de voor de betrokken partij geldende forfaitaire invoerwaarde, of

c) de overeenkomstig artikel 136 van de onderhavige verordening berekende forfaitaire invoerwaarde.

2. De invoerprijs op basis waarvan de in bijlage XVI, deel B, vermelde producten in het gemeenschappelijk douanetarief worden ingedeeld, is, naar keuze van de importeur, gelijk aan:

a) de fob-prijs van de producten in het land van oorsprong, vermeerderd met de kosten van verzekering en vervoer tot aan de grens van het douanegebied van de Unie, wanneer deze prijs en deze kosten bekend zijn op het ogenblik waarop de douaneaangifte wordt gedaan. Indien de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat een zekerheid moet worden gesteld op grond van artikel 248 van Verordening (EEG) nr. 2454/93, moet de importeur een zekerheid stellen die gelijk is aan het maximumbedrag van de rechten die voor het betrokken product gelden, of

b) de overeenkomstig artikel 30, lid 2, onder c), van Verordening (EEG) nr. 2913/92 berekende douanewaarde, uitsluitend toegepast op de betrokken ingevoerde producten. In dat geval worden de rechten in mindering gebracht overeenkomstig artikel 136, lid 1, van de onderhavige verordening. De importeur moet dan de in artikel 248 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 bedoelde zekerheid stellen, die gelijk is aan het maximumbedrag van de rechten die voor het betrokken product gelden.

3. Wanneer de invoerprijs wordt berekend op basis van de fob-prijs van de producten in het land van oorsprong, wordt voor de vaststelling van de douanewaarde de verkoop in aanmerking genomen waarop deze prijs betrekking heeft.

Wanneer de invoerprijs wordt berekend volgens één van de in lid 1, onder b) of c), of lid 2, onder b), vermelde procedures, wordt de douanewaarde berekend op dezelfde basis als de invoerprijs.

4. De importeur moet binnen een maand, te rekenen vanaf de datum waarop de betrokken producten zijn verkocht, en uiterlijk binnen vier maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de aangifte voor het vrije verkeer is geaccepteerd, hetzij bewijzen dat de partij is afgezet tegen zodanige condities dat de prijzen als bedoeld in lid 1, onder a), of lid 2, onder a), juist zijn, hetzij de douanewaarde als bedoeld in lid 1, onder b), of lid 2, onder b), bepalen. Onverminderd lid 5 wordt bij niet-inachtneming van één van bovengenoemde termijnen de zekerheid verbeurd.

De zekerheid wordt vrijgegeven voor zover de bewijzen met betrekking tot de afzetvoorwaarden ten genoegen van de douaneautoriteiten zijn geleverd.

Is dat niet het geval, dan wordt de zekerheid verbeurd bij wijze van betaling van de invoerrechten.

5. Op een naar behoren gemotiveerd verzoek van de importeur kan de in lid 4 bedoelde termijn van vier maanden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat met ten hoogste drie maanden worden verlengd.

6. Indien de bevoegde autoriteiten bij verificatie constateren dat niet aan de eisen van dit artikel is voldaan, vorderen zij het verschuldigde recht in overeenkomstig artikel 220 van Verordening (EEG) nr. 2913/92. Bij de vaststelling van het bedrag of het resterende bedrag aan rechten dat moet worden ingevorderd, wordt een rente toegepast voor de periode vanaf de datum waarop de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht tot en met de datum van de invordering. De rentevoet is de rentevoet die volgens het nationale recht bij invorderingen van toepassing is.