Art. 126 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, Controle- en evaluatieprocedures voor operationele programma's
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011
1. De producentenorganisaties controleren en evalueren hun operationele programma's aan de hand van de desbetreffende indicatoren in de in artikel 125 bedoelde lijst van gemeenschappelijke prestatie-indicatoren en, in voorkomend geval, aan de hand van aanvullende, in de nationale strategie vastgestelde indicatoren.
Hiertoe stellen zij een systeem vast om informatie die nuttig is voor de compilatie van deze indicatoren, te verzamelen, te registreren en bij te houden.
2. De controle heeft tot doel na te gaan welke vooruitgang wordt gemaakt ten aanzien van de voor het operationele programma vastgestelde specifieke doelen. De controle wordt uitgevoerd aan de hand van financiële, output- en resultaatindicatoren. De resultaten van de controle dienen om:
a) de kwaliteit van de uitvoering van het operationele programma te verifiëren;
b) na te gaan of en waar het operationele programma moet worden aangepast of herzien om de voor het programma vastgestelde doelen te bereiken of om het beheer van het programma, onder meer op financieel gebied, te verbeteren;
c) bij te dragen tot de naleving van de voorschriften voor rapportering over de uitvoering van het operationele programma.
De informatie over de resultaten van de controleactiviteiten wordt opgenomen in elk in artikel 96, lid 1, bedoeld jaarverslag dat de producentenorganisatie moet indienen bij de nationale autoriteit die met het beheer van de nationale strategie is belast.
3. De evaluatie wordt verricht in de vorm van een afzonderlijk tussentijds evaluatieverslag.
In het kader van de tussentijdse evaluatie, die met de hulp van een gespecialiseerd consultancybureau mag worden uitgevoerd, wordt een analyse verricht van het niveau van benutting van de financiële middelen, de efficiëntie en doeltreffendheid van het operationele programma en de vooruitgang ten aanzien van de voor het programma vastgestelde algemene doelen. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van gemeenschappelijke prestatie-indicatoren betreffende de uitgangssituatie, de resultaten en, in voorkomend geval, de impact.
In voorkomend geval omvat de tussentijdse evaluatie een kwalitatieve beoordeling van de resultaten en de impact van milieuacties die gericht zijn op:
a) voorkoming van bodemerosie;
b) verminderd gebruik en/of beter beheer van gewasbeschermingsproducten;
c) bescherming van habitats en van de biodiversiteit, of
d) instandhouding van het landschap.
De resultaten van de evaluatie dienen om:
a) de kwaliteit van het door de producentenorganisatie beheerde operationele programma te verbeteren;
b) na te gaan of en waar het operationele programma ingrijpend moet worden bijgestuurd;
c) bij te dragen tot de naleving van de voorschriften voor rapportering over de uitvoering van het operationele programma, en
d) conclusies te trekken die nuttig zijn om de kwaliteit, efficiëntie en doeltreffendheid van toekomstige, door de producentenorganisatie beheerde operationele programma's te verbeteren.
De tussentijdse evaluatie vindt plaats tijdens de uitvoering van het operationele programma in een fase die nog voldoende tijd laat om de evaluatieresultaten in aanmerking te nemen bij de voorbereiding van het volgende operationele programma.
Het verslag van de tussentijdse evaluatie wordt bij het betrokken, in artikel 96, lid 1, bedoelde jaarverslag gevoegd.