Art. 5 Verordening (EU) nr. 445/2011, Relaties tussen de bij het onderhoudsproces betrokken partijen

Verordening (EU) nr. 445/2011

1. Elke spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder dient ervoor te zorgen dat voor elke wagon die hij of zijn exploiteert voor het vertrek een gecertificeerde met het onderhoud belaste entiteit is aangesteld en dat het gebruik van de wagon overeenstemt met de reikwijdte van dat certificaat.

2. Alle bij het onderhoudsproces betrokken partijen wisselen relevante informatie over het onderhoud uit overeenkomstig de in de punten 1.7 en 1.8 van bijlage III opgesomde criteria.

3. Overeenkomstig de contractuele regelingen kan een spoorwegonderneming voor operationele doeleinden informatie vragen over het onderhoud van een goederenwagon. De met het onderhoud van die goederenwagon belaste entiteit beantwoordt die vraag hetzij rechtstreeks, hetzij via andere contractanten.

4. Overeenkomstig de contractuele regelingen kan een met het onderhoud belaste entiteit informatie vragen over de exploitatie van een goederenwagon. De spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder beantwoordt een dergelijke vraag hetzij rechtstreeks, hetzij via andere contractanten.

5. Alle contractanten wisselen informatie uit over veiligheidsgerelateerde storingen, ongevallen, incidenten, bijna ongevallen en andere gevaarlijke voorvallen alsmede over alle mogelijke beperkingen op het gebruik van goederenwagons.

6. Certificaten van met onderhoud belaste entiteiten worden aanvaard als bewijs van de bekwaamheid van een spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder om te voldoen aan de eisen inzake onderhoud en toezicht op contractanten en leveranciers als gespecificeerd in bijlage II, punten B.1, B.2, B.3 en C.1 bij Verordening (EU) nr. 1158/2010 van de Commissie van 9 december 2010 betreffende een gemeenschappelijke veiligheidsmethode ter beoordeling van de conformiteit met de vereisten voor de verkrijging van veiligheidscertificaten voor spoorwegen (4) en Verordening (EU) nr. 1169/2010 van de Commissie van 10 december 2010 betreffende een gemeenschappelijke veiligheidsmethode ter beoordeling van de conformiteit met de vereisten voor de verkrijging van een veiligheidsvergunning voor spoorwegen (5), tenzij de nationale veiligheidsinstantie kan aantonen dat er een ernstig veiligheidsrisico bestaat.

7. Wanneer een contractpartij, met name een spoorwegonderneming, gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een met onderhoud belaste entiteit niet voldoet aan de eisen van artikel 14 bis, lid 3, van Richtlijn 2004/49/EG of aan de certificeringseisen van deze verordening, stelt zij de certificeringsinstantie daar onmiddellijk van in kennis. De certificeringsinstantie neemt passende maatregelen om na te gaan of de vermeende niet-naleving terecht is en brengt de betrokken partijen op de hoogte van de resultaten van haar onderzoek (desgevallend met inbegrip van de bevoegde nationale veiligheidsinstantie).

8. Wanneer een nieuwe met het onderhoud belaste instantie wordt aangesteld, dient de registratiehouder op grond van artikel 33, lid 3, van Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) de registratie-instantie, als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Beschikking 2007/756/EG van de Commissie (7), onverwijld in kennis te stellen van die wijziging zodat die instantie het nationaal voertuigenregister kan bijwerken.

De voormalige met het onderhoud belaste entiteit bezorgt de onderhoudsdocumenten aan de registratiehouder of aan de nieuwe met het onderhoud belaste entiteit.

De voormalige met het onderhoud belaste entiteit wordt ontheven van haar verantwoordelijkheid wanneer zij uit het nationaal voertuigenregister is geschrapt. Wanneer op de datum waarop de voormalige met het onderhoud belaste entiteit wordt geschrapt geen enkele nieuwe entiteit de verantwoordelijkheid voor het onderhoud heeft aanvaard, wordt de registratie van het voertuig geschorst.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen