Art. 3 Richtlijn 2011/89/EU, Wijzigingen in Richtlijn 2006/48/EG

Richtlijn 2011/89/EU

Richtlijn 2006/48/EG wordt als volgt gewijzigd:

1) Artikel 1, lid 2, wordt vervangen door:

„2. Artikel 39 en artikelen 124 tot en met 143 zijn van toepassing op financiële holdings, gemengde financiële holdings en op gemengde holdings die hun hoofdkantoor in de Unie hebben.”.

2) Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a) de punten 14 tot en met 17 worden vervangen door de volgende tekst:

„14. „moederkredietinstelling in een lidstaat”: een kredietinstelling die een kredietinstelling of een financiële instelling als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in een dergelijke instelling en die zelf geen dochteronderneming is van een andere kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;

15. „financiële moederholding in een lidstaat”: een financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;

15 bis. „gemengde financiële moederholding in een lidstaat”: een gemengde financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;

16. „EU-moederkredietinstelling”: een moederkredietinstelling in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een andere kredietinstelling waaraan in een van de lidstaten vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;

17. „financiële EU-moederholding”: een financiële holding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een van de lidstaten vergunning is verleend, of van een andere in een lidstaat opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;

17 bis. „gemengde financiële EU-moederholding”: een gemengde financiële moederholding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een van de lidstaten vergunning is verleend, of van een andere in een lidstaat opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;”;

b) het volgende punt wordt ingevoegd:

„19 bis. „gemengde financiële holding”: een gemengde financiële holding als omschreven in artikel 2, punt 15, van Richtlijn 2002/87/EG;”;

c) punt 48 wordt vervangen door:

„48. „consoliderende toezichthouder”: de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis op EU-moederkredietinstellingen en kredietinstellingen die onder de zeggenschap van een financiële EU-moederholding of van een gemengde financiële EU-moederholding staan;”.

3) Artikel 14 wordt vervangen door:

„Artikel 14

Elke toekenning van een vergunning wordt ter kennis gebracht van de EBA. De naam van elke kredietinstelling waaraan een vergunning is verleend, wordt opgenomen in een lijst, die door de EBA op haar website wordt gepubliceerd en actueel wordt gehouden. De bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis verschaft de betrokken bevoegde autoriteiten en de EBA alle informatie met betrekking tot de bankgroep overeenkomstig artikel 12, lid 3, artikel 22, lid 1, en artikel 73, lid 3, in het bijzonder omtrent de juridische en organisatorische structuur en het bestuur van de groep.”.

4) Artikel 39 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1, onder b), wordt vervangen door:

„b) In derde landen gevestigde kredietinstellingen, waarvan de moederonderneming, ongeacht of het gaat om een kredietinstelling, financiële holding of gemengde financiële holding, haar hoofdkantoor in de Unie heeft.”;

b) lid 2, onder a), wordt vervangen door:

„a) dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de informatie kunnen verkrijgen die nodig is voor het toezicht op basis van de geconsolideerde financiële situatie van in de Unie gevestigde kredietinstellingen, financiële holdings of gemengde financiële holdings die in derde landen gevestigde kredietinstellingen of financiële instellingen als dochteronderneming hebben, of deelnemingen hebben in zulke instellingen;”.

5) Artikel 69, lid 2, wordt vervangen door:

„2. De lidstaten mogen van de in lid 1 genoemde mogelijkheid gebruikmaken indien de moederonderneming een financiële holding of gemengde financiële holding is, die in dezelfde lidstaat als de kredietinstelling is gevestigd, mits het is onderworpen aan hetzelfde toezicht als kredietinstellingen, en in het bijzonder aan de in artikel 71, lid 1, vastgelegde normen.”.

6) Artikel 71, lid 2, wordt vervangen door:

„2. Onverminderd de artikelen 68, 69 en 70 voldoen kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële moederholding in een lidstaat of van een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 133 aan de verplichtingen van de artikelen 75, 120 en 123 en van afdeling 5 op basis van de geconsolideerde financiële positie van deze financiële holding of gemengde financiële holding.

Als meerdere kredietinstellingen onder de zeggenschap staan van een financiële moederholding in een lidstaat of van een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, is de eerste alinea alleen van toepassing op de kredietinstelling die ingevolge de artikelen 125 en 126 onderworpen is aan toezicht op geconsolideerde basis.”.

7) Artikel 72, lid 2, wordt vervangen door:

„2. Kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding of van een gemengde financiële EU-moederholding, voldoen op basis van de geconsolideerde financiële positie van deze financiële holding of deze gemengde financiële holding aan het bepaalde in hoofdstuk 5.

Significante dochterondernemingen van financiële EU-moederholdings of van gemengde financiële EU-moederholdings maken de in bijlage XII, deel 1, punt 5, genoemde informatie openbaar op individuele of gesubconsolideerde basis.”.

8) Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 72 bis

1. Indien een gemengde financiële holding onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van zowel deze richtlijn als van Richtlijn 2002/87/EG, met name in termen van risicogebaseerd toezicht, kan de consoliderende toezichthouder, na overleg met de overige betrokken toezichthoudende autoriteiten die met het toezicht op de dochterondernemingen belast zijn, besluiten op deze gemengde financiële holding alleen de relevante bepaling van Richtlijn 2002/87/EG toe te passen.

2. Indien een gemengde financiële holding onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van zowel deze richtlijn als van Richtlijn 2009/138/EG, met name in termen van risicogebaseerd toezicht, kan de consoliderende toezichthouder, in onderlinge overeenstemming met de groepstoezichthouder van de verzekeringssector, besluiten om alleen de bepaling toe te passen van de richtlijn die betrekking heeft op de meest significante financiële sector als omschreven in artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2002/87/EG.

3. De consoliderende toezichthouder brengt de EBA en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad (*18) (EIOPA) van de krachtens de leden 1 en 2 van dit artikel genomen besluiten op de hoogte. De EBA, EIOPA en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (*19) (ESMA) stellen via het Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten (Gemengd Comité) richtsnoeren op om toezichtpraktijken te laten convergeren en stellen ontwerpen van technische reguleringsnormen op, die zij binnen drie jaar na de vaststelling van de richtsnoeren aan de Commissie voorleggen.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de in de artikelen 10 tot en met 14 van respectievelijk Verordening (EU) nr. 1093/2010, van Verordening (EU) nr. 1094/2010 en van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

(*18) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48."

(*19) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.”."

9) Artikel 73, lid 2, wordt vervangen door:

„2. De bevoegde autoriteiten verplichten kredietinstellingen die een dochteronderneming zijn, de voorschriften van artikelen 75, 120 en 123 en van afdeling 5 van deze richtlijn op gesubconsolideerde basis toe te passen als deze kredietinstellingen, of hun moederonderneming als deze moederonderneming een financiële holding of gemengde financiële holding is, een kredietinstelling, een financiële instelling of een vermogensbeheerder in de zin van artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2002/87/EG als een in een derde land gevestigde dochteronderneming hebben of een deelneming in een dergelijke onderneming hebben.”.

10) Artikel 80, lid 7, onder a), komt als volgt te luiden:

„a) de tegenpartij is een instelling of een financiële holding, gemengde financiële holding, financiële instelling, vermogensbeheerder of een nevendiensten verrichtende onderneming waarop passende prudentiële voorschriften van toepassing zijn;”.

11) Artikel 84 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 2 wordt de tweede alinea vervangen door:

„Als een EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of een financiële EU-moederholding en haar dochterondernemingen of een gemengde financiële EU-moederholding en haar dochterondernemingen de IRB centraal toepassen, kunnen de bevoegde autoriteiten ermee akkoord gaan dat de moeder- en dochteronderneming samen voldoen aan de in deel 4 van bijlage VII vermelde minimumvereisten.”;

b) lid 6 komt als volgt te luiden:

„6. Als de EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen, de financiële EU-moederholding en haar dochterondernemingen of de gemengde financiële EU-moederholding en haar dochterondernemingen de IRB willen toepassen, werken de voor de verschillende rechtspersonen bevoegde autoriteiten nauw samen, op basis van de voorschriften van de artikelen 129 tot en met 132.”.

12) Artikel 89, lid 1, onder e), komt als volgt te luiden:

„e) vorderingen van een kredietinstelling op een tegenpartij die haar moederonderneming, dochteronderneming of een dochteronderneming van haar moederonderneming is, mits het bij deze tegenpartij een instelling of een financiële holding, gemengde financiële holding, een financiële instelling, een vermogensbeheerder of een nevendiensten verrichtende onderneming is, waarop passende prudentiële voorschriften van toepassing zijn of een onderneming waarmee een betrekking bestaat zoals bedoeld in artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, en vorderingen tussen kredietinstellingen die voldoen aan de eisen bepaald in artikel 80, lid 8;”.

13) Artikel 105, leden 3 en 4, worden vervangen door:

„3. Als een EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of de dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding of van een gemengde financiële EU-moederholding een geavanceerde meetbenadering willen toepassen, werken de voor de verschillende rechtspersonen bevoegde autoriteiten nauw samen, zoals voorzien in de artikelen 129 tot en met 132. Daarbij wordt rekening gehouden met de in deel 3 van bijlage X genoemde componenten.

4. Als een EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of de dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding of van een gemengde financiële EU-moederholding een geavanceerde meetbenadering centraal toepassen, mogen de bevoegde autoriteiten ermee instemmen dat moeder- en dochterondernemingen samen voldoen aan de kwalificatiecriteria die in deel 3 van bijlage X worden genoemd.”.

14) Artikel 122 bis, lid 2, wordt vervangen door:

„2. Wanneer een EU- moederkredietinstelling, een financiële EU-moederholding of gemengde financiële EU-moederholding, dan wel een dochteronderneming daarvan, als initiator of sponsor vorderingen securitiseert van verscheidene kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of andere financiële instellingen die onder het toezicht op geconsolideerde basis vallen, kan aan het in lid 1 bedoelde vereiste worden voldaan aan de hand van de geconsolideerde situatie van de gelieerde EU-moederkredietinstelling, de financiële EU-moederholding of gemengde financiële EU-moederholding. Dit lid is enkel van toepassing indien de kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of financiële instellingen die de gesecuritiseerde vorderingen hebben gecreëerd, zich ertoe verbonden hebben de vereisten van lid 6 in acht te nemen en de informatie die nodig is om te voldoen aan de vereisten van lid 7, tijdig aan de initiator of sponsor en aan de EU-moederkredietinstelling, de financiële EU-moederholding of gemengde financiële EU-moederholding te verstrekken.”.

15) Artikel 125, lid 2, wordt vervangen door:

„2. Indien de moederonderneming van een kredietinstelling een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die aan deze kredietinstelling de in artikel 6 bedoelde vergunning hebben verleend.”.

16) Artikel 126 wordt vervangen door:

„Artikel 126

1. Indien kredietinstellingen waaraan in meer dan één lidstaat vergunning is verleend, dezelfde financiële moederholding in een lidstaat, dezelfde gemengde financiële moederholding in een lidstaat, dezelfde financiële EU-moederholding of dezelfde gemengde financiële EU-moederholding als moederonderneming hebben, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de autoriteiten die bevoegd zijn voor de kredietinstelling waaraan vergunning is verleend in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is opgericht.

Indien moederondernemingen van kredietinstellingen waaraan in meer dan één lidstaat vergunning is verleend, meer dan één financiële holding of gemengde financiële holding omvatten, die hun hoofdkantoor in verschillende lidstaten hebben, en zich in elk van deze lidstaten een kredietinstelling bevindt, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit voor de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal.

2. Indien meer dan één kredietinstelling waaraan in de Europese Unie vergunning is verleend, dezelfde financiële holding of dezelfde gemengde financiële holding als moederonderneming hebben en aan geen van deze kredietinstellingen vergunning is verleend in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is opgericht, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die vergunning heeft verleend aan de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal; voor de toepassing van deze richtlijn wordt deze kredietinstelling als de instelling beschouwd die onder de zeggenschap staat van een financiële EU-moederholding of van een gemengde financiële EU-moederholding.

3. In bijzondere gevallen mogen de bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen van de criteria in de leden 1 en 2 af te wijken, als de toepassing ervan, gelet op de kredietinstellingen en het relatieve belang van hun werkzaamheden in de verschillende lidstaten, ongepast zou zijn, en ze mogen een andere bevoegde autoriteit aanwijzen die op geconsolideerde basis toezicht zal houden. In die gevallen bieden de bevoegde autoriteiten, alvorens een besluit te nemen, de EU-moederkredietinstelling, de financiële EU-moederholding, de gemengde financiële EU-moederholding dan wel de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal de gelegenheid haar mening ten aanzien van dit besluit kenbaar te maken.

4. De bevoegde autoriteiten brengen de Commissie en EBA op de hoogte van elke in het kader van lid 3 verleende vrijstelling.”.

17) Artikel 127 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1 wordt vervangen door:

„1. De lidstaten stellen in voorkomend geval de maatregelen vast die nodig zijn om financiële holdings of gemengde financiële holdings in het geconsolideerde toezicht te betrekken. Onverminderd artikel 135 houdt de consolidatie van de financiële positie van de financiele holding of de gemengde financiële holding voor de bevoegde autoriteiten geenszins de verplichting in de financiële holding of de gemengde financiële holding te onderwerpen aan toezicht op individuele basis.”;

b) lid 3 wordt vervangen door:

„3. De lidstaten bepalen dat hun met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten de in artikel 137 bedoelde inlichtingen mogen verzoeken van de dochteronderneming van een kredietinstelling, een financiële holding of een gemengde financiële holding die niet onder het toezicht op geconsolideerde basis vallen. In dat geval zijn de in dat artikel bedoelde procedures voor toezending en verificatie van de inlichtingen van toepassing.”.

18) Artikel 129 wordt als volgt gewijzigd:

a) in de eerste alinea van lid 1 wordt de inleidende gedeelte vervangen door:

„1. De bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis op EU-moederkredietinstellingen en kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding of van een gemengde financiële EU-moederholding, neemt, naast de verplichtingen die krachtens de bepalingen van deze richtlijn op haar rusten, de volgende taken op zich:”;

b) in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:

„2. Als een EU-moederkredietinstelling met haar dochterondernemingen of de gezamenlijke dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding of van een gemengde financiële EU-moederholding een aanvraag indienen voor de in artikel 84, lid 1, artikel 87, lid 9, artikel 105, en in deel 6 van bijlage III bedoelde toelating, beslissen de bevoegde autoriteiten in onderling overleg of de aanvraag wordt ingewilligd en welke voorwaarden eventueel aan zo’n vergunning moeten worden verbonden.”;

c) in lid 3:

i) wordt de eerste alinea vervangen door:

„3. De consoliderende toezichthouder en de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederkredietinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding stellen alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen over de toepassing van de artikelen 123 en 124 om uit te maken of het geconsolideerde eigen vermogen van de groep toereikend is voor haar financiële situatie en risicoprofiel en het niveau van eigen vermogen voor de toepassing van artikel 136, lid 2, voor elke entiteit binnen de bankgroep en op geconsolideerde basis vereist is.”;

ii) wordt de vijfde alinea vervangen door:

„Het besluit over de toepassing van de artikelen 123, 124 en 136, lid 2, wordt op individuele of gesubconsolideerde basis genomen door de desbetreffende, bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederkredietinstelling, een financiële EU-moederholding of gemengde financiële EU-moederholding, nadat de door de consoliderende toezichthouder geuite standpunten en voorbehouden naar behoren in overweging zijn genomen. Indien één van de betrokken bevoegde autoriteiten aan het einde van de termijn van vier maanden de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 naar de EBA heeft verwezen, stellen de bevoegde autoriteiten hun besluit uit en wachten zij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af, en nemen zij hun besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De periode van vier maanden wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van die verordening. De EBA neemt haar besluit binnen één maand. De zaak wordt niet naar de EBA doorverwezen na het verstrijken van de periode van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen.”;

iii) wordt de negende alinea vervangen door:

„Het in de eerste alinea bedoelde gezamenlijk besluit en elk besluit dat bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit overeenkomstig de alinea’s 4 en 5 wordt genomen, wordt elk jaar geactualiseerd of, in uitzonderlijke gevallen, indien een bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederkredietinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding, de consoliderende toezichthouder schriftelijk en met volledige opgaaf van redenen verzoekt het besluit betreffende de toepassing van artikel 136, lid 2, te actualiseren. In dat laatste geval kan de actualisering op bilaterale basis aan de orde worden gesteld tussen de consoliderende toezichthouder en de bevoegde autoriteit die daarom heeft verzocht.”.

19) In artikel 131 bis, lid 2, komt de zesde alinea als volgt te luiden:

„De volgende autoriteiten kunnen deelnemen aan colleges van toezichthouders:

a) de bevoegde autoriteiten belast met het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederkredietinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding;

b) de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waar significante bijkantoren als bedoeld in artikel 42 bis zijn gevestigd;

c) in voorkomend geval centrale banken, en

d) in voorkomend geval en onder geheimhoudingsvereisten die naar het oordeel van alle bevoegde autoriteiten gelijkwaardig zijn met de vereisten in de artikelen 44 tot en met 52, de bevoegde autoriteiten van derde landen.”.

20) Artikel 132, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a) de vijfde alinea wordt vervangen door:

„Met name verstrekken de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het geconsolideerde toezicht op EU-moederkredietinstellingen en kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding, aan de bevoegde autoriteiten in andere lidstaten die toezicht houden op dochterondernemingen van deze moederondernemingen alle relevante informatie. Bij het bepalen van de omvang van de relevante informatie wordt rekening gehouden met het belang van deze dochterondernemingen in het financiële stelsel van deze lidstaten.”;

b) in de zesde alinea wordt punt a) vervangen door:

„a) het in kaart brengen van de juridische structuur, het bestuur en de organisatiestructuur van de groep, met inbegrip van alle gereguleerde entiteiten, niet-gereguleerde dochterondernemingen en significante bijkantoren die tot de groep behoren, moederondernemingen, overeenkomstig artikel 12, lid 3, artikel 22, lid 1, en artikel 73, lid 3, alsmede het in kaart brengen van de bevoegde autoriteiten voor de gereglementeerde entiteiten in de groep;”.

21) Artikel 135 komt als volgt te luiden:

„Artikel 135

De lidstaten eisen dat personen die het bedrijf van een financiële holding of gemengde financiële holding feitelijk leiden, voldoende betrouwbaar zijn en voldoende ervaring bezitten om deze functies uit te oefenen.”.

22) In artikel 139, lid 3, wordt de eerste alinea, vervangen door:

„3. De lidstaten staan toe dat hun bevoegde autoriteiten de in lid 2 bedoelde inlichtingen uitwisselen, met dien verstande dat, met betrekking tot financiële holdings, gemengde financiële holdings, financiële instellingen of ondernemingen die nevendiensten verrichten, het inwinnen of bezitten van inlichtingen geenszins betekent dat de bevoegde autoriteiten op de instellingen of ondernemingen afzonderlijk toezicht moeten houden.”.

23) Artikel 140 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1 komt als volgt te luiden:

„1. Indien een kredietinstelling, een financiële holding, een gemengde financiële holding of een gemengde holding zeggenschap heeft over één of meer dochterondernemingen die verzekeringsondernemingen zijn of andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten waarvoor een vergunningsstelsel geldt, werken de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten die van overheidswege belast zijn met het toezicht op de verzekeringsondernemingen of op de genoemde andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten nauw samen. Onverminderd hun respectieve bevoegdheden delen deze autoriteiten elkaar alle inlichtingen mee waardoor de vervulling van hun taak kan worden vergemakkelijkt en controle op de activiteit en de financiële positie van alle aan hun toezicht onderworpen ondernemingen kan worden uitgeoefend.”;

b) lid 3 komt als volgt te luiden:

„3. De met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten stellen een lijst op van de in artikel 71, lid 2, bedoelde financiële holdings of gemengde financiële holdings. Deze lijst wordt aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten, aan de EBA en aan de Commissie gezonden.”.

24) De artikelen 141 en 142 worden vervangen door:

„Artikel 141

Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat bij de toepassing van deze richtlijn in welbepaalde gevallen inlichtingen wensen te verifiëren betreffende een in een andere lidstaat gelegen kredietinstelling, financiële holding, financiële instelling, onderneming die nevendiensten verricht, gemengde holding, gemengde financiële holding, dochteronderneming als bedoeld in artikel 137, of dochteronderneming als bedoeld in artikel 127, lid 3, verzoeken zij de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaat om deze verificatie. De autoriteiten die een dergelijk verzoek ontvangen, geven hieraan binnen het kader van hun bevoegdheid gevolg door de verificatie zelf te verrichten, door de verzoekende autoriteiten toestemming te verlenen om de verificatie te verrichten, dan wel door toe te staan dat de verificatie door een auditor of een deskundige wordt verricht. De verzoekende bevoegde autoriteit kan aan de verificatie deelnemen indien zij deze niet zelf verricht.

Artikel 142

De lidstaten bepalen dat, onverminderd hun strafrechtelijke bepalingen, jegens financiële holdings, gemengde financiële holdings en gemengde holdings, of verantwoordelijke bestuurders daarvan, die wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen overtreden welke ter uitvoering van de artikelen 124 tot en met 141 en van het onderhavige artikel zijn vastgesteld, sancties of maatregelen kunnen worden opgelegd om aan de vastgestelde overtredingen een einde te maken of de oorzaken daarvan weg te nemen. De bevoegde autoriteiten werken nauw samen opdat deze sancties of maatregelen de beoogde uitwerking hebben, inzonderheid als het hoofdbestuur of de hoofdvestiging van een financiële holding, een gemengde financiële holding of een gemengde holding zich niet in dezelfde lidstaat als zijn statutaire zetel bevindt.”.

25) Artikel 143 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1 komt als volgt te luiden:

„1. Indien de moederonderneming van een kredietinstelling een kredietinstelling, een financiële holding of een gemengde financiële holding met hoofdkantoor in een derde land is en er op de kredietinstelling geen toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig artikelen 125 en 126 wordt uitgeoefend, gaan de bevoegde autoriteiten na of de kredietinstelling onderworpen is aan geconsolideerd toezicht dat door de bevoegde autoriteit van een derde land wordt uitgeoefend en dat gelijkwaardig is met dat op grond van de in de onderhavige richtlijn neergelegde beginselen.

De verificatie geschiedt door de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk zou zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis indien lid 3 van toepassing was, op verzoek van de moederonderneming of van een van de gereglementeerde entiteiten die in de Europese Unie een vergunning hebben verkregen, dan wel op eigen initiatief. De bevoegde autoriteit raadpleegt de andere betrokken bevoegde autoriteiten.”;

b) in lid 3 wordt de derde alinea vervangen door:

„De bevoegde autoriteiten kunnen in het bijzonder verlangen dat een financiële holding of gemengde financiële holding met hoofdkantoor in de Unie wordt opgericht en kunnen op de geconsolideerde positie van deze financiële holding of gemengde financiële holding de bepalingen inzake het toezicht op geconsolideerde basis toepassen.”.

26) Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 146 bis

De lidstaten verplichten de kredietinstellingen om op het niveau van de bankgroep jaarlijks een beschrijving van hun juridische structuur, en van hun bestuur en organisatiestructuur openbaar te maken, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar gelijkwaardige informatie.”.

27) Bijlage X wordt gewijzigd in overeenstemming met bijlage III bij deze richtlijn.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen