Art. 6 Verordening (EU) nr. 1210/2010, Controle door de lidstaten

Verordening (EU) nr. 1210/2010

1. De lidstaten richten de in dit artikel bepaalde controles in.

2. De lidstaten verrichten jaarlijks controles ter plaatse bij de instellingen om aan de hand van detectietests de correcte werking van een representatief aantal van de muntsorteermachines die in gebruik zijn, na te gaan. Als er van het personeel van de instellingen verwacht wordt dat het de echtheid van de euromunten die terug in de omloop moeten gebracht worden, manueel controleert, moeten ze van de betreffende instellingen de waarborg krijgen dat hun personeel daar terdege voor opgeleid is.

3. In elke lidstaat wordt jaarlijks een zodanig aantal muntsorteermachines gecontroleerd dat de hoeveelheid euromunten die in dat jaar door die machines wordt verwerkt, ten minste 25 % bedraagt van de totale gecumuleerde nettohoeveelheid euromunten die door de betrokken lidstaat sedert de invoering van euromunten tot het einde van het voorafgaande jaar is uitgegeven. Het aantal te controleren machines wordt berekend op basis van de hoeveelheid van de drie hoogste denominaties van euromunten die voor de omloop bestemd zijn. De lidstaten zorgen ervoor dat de muntsorteermachines beurtelings gecontroleerd worden.

4. Als het aantal jaarlijks te controleren muntsorteermachines bij toepassing van lid 3 hoger ligt dan het aantal machines dat in een bepaalde lidstaat in gebruik is, worden jaarlijks alle muntsorteermachines gecontroleerd die in die lidstaat in gebruik zijn.

5. In een overgangsperiode die loopt tot 31 december 2014, kunnen de lidstaten na bekendmaking aan de Commissie besluiten dat er elk jaar een zodanig aantal muntsorteermachines te controleren is dat de omvang aan euromunten die ze dat jaar verwerken, minstens 10 % van de totale gecumuleerde nettohoeveelheid aan munten bedraagt die de desbetreffende lidstaat sinds de invoering van euromunten en tot het einde van het voorafgaand jaar uitgegeven heeft.

6. In het kader van de jaarlijkse controles controleren de lidstaten het vermogen van de instellingen om euromunten op hun echtheid te controleren voorts aan de hand van:

a) het bestaan van schriftelijk vastgelegde gedragslijnen die onderrichtingen voor het gebruik van automatische muntsorteerapparatuur of het manueel sorteren verstrekken, naar gelang van het geval;

b) de aanstelling van geschikt personeel;

c) het bestaan van een schriftelijk onderhoudsplan dat ervoor moet zorgen dat de muntsorteermachines op een passend niveau blijven presteren;

d) het bestaan van schriftelijk vastgelegde procedures voor het inleveren van valse euromunten, euromunten die voor circulatie ongeschikt zijn en andere op munten lijkende voorwerpen die niet aan de specificaties van echte euromunten beantwoorden bij de aangewezen nationale autoriteit; en

e) het bestaan van interne controleprocedures die vorm en frequentie van de controles beschrijven die de instellingen moeten uitvoeren om te zorgen dat hun sorteercentra en personeel de in dit lid neergelegde onderrichtingen opvolgen.

7. Als een lidstaat een inbreuk op deze verordening vaststelt, neemt de desbetreffende instelling de nodige maatregelen om te zorgen dat de inbreuk onmiddellijk hersteld wordt.