Art. 21 Verordening (EU) nr. 1095/2010, Colleges van toezichthouders

Verordening (EU) nr. 1095/2010

1. De Autoriteit draagt bij tot de bevordering en monitoring van de efficiënte, effectieve en consistente werking van de bij de in artikel 1, lid 2, vermelde wetgevingshandelingen vastgestelde colleges van toezichthouders en bevordert de consistente toepassing van het Unierecht door alle colleges van toezichthouders. Teneinde te komen tot convergentie wat betreft beste praktijken inzake toezicht, kan personeel van de Autoriteit deelnemen aan de activiteiten van de colleges van toezichthouders, inclusief inspecties ter plaatse, die gezamenlijk worden uitgevoerd door twee of meer bevoegde autoriteiten.

2. De Autoriteit geeft leiding bij het waarborgen van de consistente en coherente werking van de colleges van toezichthouders voor grensoverschrijdende instellingen in de gehele Unie, rekening houdend met het systeemrisico dat financiëlemarktdeelnemers, als bedoeld in artikel 23, opleveren.

Voor de toepassing van dit lid en van lid 1 van dit artikel wordt de Autoriteit beschouwd als een „bevoegde autoriteit” in de zin van de toepasselijke wetgeving.

De Autoriteit kan:

a) alle relevante informatie verzamelen en delen in samenwerking met de bevoegde autoriteiten om het werk van het college te vergemakkelijken en een centraal systeem op te zetten en te beheren om deze informatie beschikbaar te stellen aan de bevoegde autoriteiten in het college;

b) Uniebrede stresstests overeenkomstig artikel 32 initiëren en coördineren om de veerkracht van belangrijke financiëlemarktdeelnemers, met name het systeemrisico dat belangrijke financiëlemarktdeelnemers als bedoeld in artikel 23 opleveren, bij ongunstige marktontwikkelingen te beoordelen, en een beoordeling te verrichten van de mogelijkheid dat het systeemrisico dat belangrijke financiëlemarktdeelnemers kunnen opleveren, toeneemt in stresssituaties, waarbij ervoor wordt gezorgd dat op nationaal niveau bij het houden van dergelijke tests een zo consistent mogelijke methode wordt gevolgd, en indien nodig, aan de bevoegde autoriteit een aanbeveling wordt gegeven om problemen aan te pakken die bij de stresstest aan het licht zijn gekomen;

c) effectieve en efficiënte toezichtpraktijken bevorderen, inclusief het evalueren van de risico’s waaraan financiëlemarktdeelnemers in stresssituaties blootgesteld zijn of zouden kunnen zijn;

d) toezicht houden, overeenkomstig de taken en bevoegdheden die in deze verordening zijn vermeld, op de taken die door de bevoegde autoriteiten worden uitgeoefend; en

e) verzoeken om verdere beraadslagingen in een college wanneer zij van oordeel is dat een besluit zou resulteren in een incorrecte toepassing van het Unierecht of niet zou bijdragen tot de doelstelling van convergentie inzake toezichtpraktijken. Zij kan tevens verzoeken een vergadering van het college te organiseren of een punt toe te voegen aan de agenda van een vergadering.

3. De Autoriteit kan ontwerpen van technische reguleringsnormen en technische uitvoeringsnormen opstellen om te zorgen voor uniforme toepassingsvoorwaarden voor de bepalingen betreffende het functioneren van colleges van toezichthouders, alsmede overeenkomstig artikel 16 vastgestelde richtsnoeren en aanbevelingen uitvaardigen ter bevordering van de convergentie bij de werking van het toezicht en de door de colleges van toezichthouders aangenomen beste praktijken.

4. De Autoriteit kan met wettelijk bindende kracht bemiddelend optreden om geschillen tussen bevoegde autoriteiten te beslechten overeenkomstig de in artikel 19 omschreven procedure. De Autoriteit kan overeenkomstig artikel 19 toezichtbesluiten nemen die rechtstreeks toepasselijk zijn op de betrokken financiëlemarktdeelnemer.