Art. 15 Richtlijn 2010/35/EU, Voorschriften en voorwaarden voor het aanbrengen van de pi-markering

Richtlijn 2010/35/EU

1. De pi-markering omvat het volgende symbool in de volgende vorm:

2. De pi-markering moet minstens 5 mm hoog zijn en minstens 2,5 mm hoog voor vervoerbare drukapparatuur met een diameter van maximaal 140 mm.

3. De verhoudingen van de gegradueerde afbeelding in lid 1 moeten in acht worden genomen. Het rooster behoort niet tot de markering.

4. De pi-markering wordt zichtbaar, leesbaar en permanent aangebracht op de vervoerbare drukapparatuur of op het gegevensplaatje, alsook op de afneembare onderdelen van navulbare vervoerbare drukapparatuur die rechtstreeks voor de veiligheid dienen.

5. De pi-markering wordt aangebracht voordat de nieuwe vervoerbare drukapparatuur of afneembare onderdelen van de navulbare vervoerbare drukapparatuur die rechtstreeks voor de veiligheid dienen, in de handel worden gebracht.

6. De pi-markering wordt gevolgd door het identificatienummer van de aangemelde instantie die betrokken is bij de eerste keuringen en proeven.

Het identificatienummer van de aangemelde instantie wordt aangebracht door die instantie zelf, dan wel overeenkomstig haar instructies door de fabrikant.

7. De markering van de datum van de periodieke keuring of, waar van toepassing, de tussentijdse keuring gaat vergezeld van het identificatienummer van de aangemelde instantie die verantwoordelijk is voor de periodieke keuring.

8. Voor gasflessen die voorheen in overeenstemming waren met Richtlijnen 84/525/EEG, 84/526/EEG of 84/527/EEG en geen pi-markering dragen, wordt, bij de eerste periodieke keuring die overeenkomstig deze richtlijn wordt uitgevoerd, het identificatienummer van de verantwoordelijke aangemelde instantie voorafgegaan door de pi-markering.

Vorige artikelen

Volgende artikelen