Art. 14 Richtlijn 2010/35/EU, Algemene beginselen van de pi-markering
1. De pi-markering wordt uitsluitend aangebracht door de fabrikant of, in het geval van een hernieuwde conformiteitsbeoordeling, zoals vermeld in bijlage III. Voor gasflessen die voorheen in overeenstemming waren met Richtlijnen 84/525/EEG, 84/526/EEG of 84/527/EEG wordt de pi-markering aangebracht door, of onder toezicht van, de aangemelde instantie.
2. De pi-markering wordt enkel op vervoerbare drukapparatuur aangebracht die:
a) voldoet aan de conformiteitsbeoordelingseisen in de bijlagen bij Richtlijn 2008/68/EG en in deze richtlijn, of
b) voldoet aan de hernieuwde beoordeling van conformiteitseisen waarnaar in artikel 13 wordt verwezen.
De pi-markering wordt op geen enkele andere vervoerbare drukapparatuur aangebracht.
3. Door de pi-markering aan te brengen of te laten aanbrengen, geeft de fabrikant aan dat hij er de verantwoordelijkheid voor neemt dat de vervoerbare drukapparatuur conform alle toepasselijke eisen is die zijn vastgelegd in de bijlagen bij Richtlijn 2008/68/EG en in deze richtlijn.
4. In het kader van deze richtlijn is de pi-markering het enige merkteken dat bevestigt dat de vervoerbare drukapparatuur conform de toepasselijke eisen die zijn vermeld in de bijlagen bij Richtlijn 2008/68/EG en in deze richtlijn, is.
5. Op vervoerbare drukapparatuur mogen geen merktekens, tekens of opschriften worden aangebracht die derden kunnen misleiden omtrent de betekenis of de vorm van de pi-markering. Op de vervoerbare drukapparatuur mogen wel andere merktekens worden aangebracht, mits dit niet ten koste gaat van de zichtbaarheid, de leesbaarheid en de betekenis van de pi-markering.
6. Afneembare onderdelen van navulbare vervoerbare drukapparatuur die rechtstreeks voor de veiligheid dienen, krijgen de pi-markering.
7. Lidstaten zorgen voor een juiste toepassing van de voorschriften voor de pi-markering en nemen passende maatregelen tegen oneigenlijk gebruik van het merkteken. De lidstaten voorzien ook in sancties voor inbreuken, waaronder mogelijk strafrechtelijke sancties voor ernstige inbreuken. Deze sancties moeten evenredig zijn aan de ernst van de overtreding en voldoende afschrikkend zijn om oneigenlijk gebruik tegen te gaan.