Art. 103 Verordening (EG) nr. 1224/2009, Schorsing en intrekking van communautaire financiële bijstand

Verordening (EG) nr. 1224/2009

1. De Commissie kan besluiten de communautaire financiële bijstand uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1198/2006 en artikel 8, onder a), van Verordening (EG) nr. 861/2006 voor een maximumperiode van 18 maanden geheel of gedeeltelijk te schorsen, wanneer is aangetoond:

a) de doeltreffendheid van de gefinancierde maatregelen in het gedrang komt of dreigt te komen door de niet-naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid, in het bijzonder wat betreft de instandhouding en het beheer van de visbestanden, de aanpassing van de vloot en de visserijcontrole;

b) de niet-naleving rechtstreeks aan de betrokken lidstaat is toe te schrijven; en

c) de niet-naleving de instandhouding van de levende aquatische hulpbronnen ernstig in gevaar kan brengen of de doeltreffende werking van het communautaire controle- en handhavingssysteem in het gedrang kan brengen,

en wanneer de Commissie, op basis van de beschikbare informatie en, in voorkomend geval, na bestudering van de verklaringen van de lidstaat, tot de conclusie komt dat de betrokken lidstaat niet de nodige maatregelen heeft genomen om de situatie te verhelpen en niet in een positie verkeert om dit in de nabije toekomst te doen.

2. Wanneer de lidstaat in de schorsingsperiode nog steeds niet aantoont dat er corrigerende maatregelen zijn genomen om te garanderen dat de geldende regels in de toekomst zullen worden nageleefd en gehandhaafd of dat de doeltreffende werking van het communautaire controle- en handhavingssysteem niet in het gedrang komt, kan de Commissie de communautaire financiële bijstand waarvan de betaling op grond van lid 1 was geschorst, geheel of gedeeltelijk intrekken. Een dergelijke intrekking kan slechts plaatsvinden nadat de desbetreffende betaling sedert 12 maanden is geschorst.

3. Alvorens de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen te nemen, stelt de Commissie de betrokken lidstaat schriftelijk in kennis van haar bevindingen betreffende de tekortkomingen in de controleregeling van de lidstaat en van haar voorgenomen besluit als bedoeld in lid 1 of lid 2, en verzoekt zij hem corrigerende maatregelen te nemen binnen een door de Commissie op basis van de ernst van de inbreuk vast te stellen termijn van ten minste één maand.

4. Indien de lidstaat niet binnen de overeenkomstig lid 3 vast te stellen termijn antwoordt op het in datzelfde lid bedoelde schrijven, kan de Commissie het in lid 1 of lid 2 bedoelde besluit nemen op basis van de op dat ogenblik beschikbare informatie.

5. Het percentage waarmee betalingen kunnen worden geschorst of ingetrokken, staat in verhouding tot de aard en de omvang van de niet-naleving van de geldende bepalingen inzake instandhouding, controle, inspectie of handhaving door de lidstaat en tot de ernst van de bedreiging voor de instandhouding van de levende aquatische hulpbronnen of de doeltreffende werking van het communautaire controle- en handhavingssysteem, alsook tot de mate waarin de doeltreffendheid van de gefinancierde maatregelen in het gedrang komt of dreigt te komen. Het percentage wordt vastgesteld op basis van en mag niet hoger zijn dan het relatieve aandeel van de visserij en visserijgerelateerde activiteiten waarop de niet-naleving betrekking heeft, in het kader van de maatregelen die worden gefinancierd uit de in lid 1 bedoelde financiële bijstand.

6. Besluiten op grond van dit artikel worden genomen met inachtneming van alle relevante omstandigheden en op dusdanige wijze dat een reëel economisch verband bestaat tussen het onderwerp van de niet-naleving en de maatregel waarop de geschorste betaling of de ingetrokken communautaire financiële bijstand betrekking heeft.

7. De schorsing wordt opgeheven wanneer de voorwaarden van lid 1 niet langer zijn vervuld.

8. De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 119 bedoelde procedure.