Art. 4, Veiligheids- en handelsvoorschriften
1. Diervoeders mogen alleen in de handel worden gebracht en gebruikt indien:
a) zij veilig zijn; en
b) zij niet rechtstreeks een nadelig effect op het milieu of het dierenwelzijn hebben.
De voorschriften van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 178/2002 zijn van overeenkomstige toepassing op diervoeders voor niet-voedselproducerende dieren.
2. In aanvulling op de in lid 1 van dit artikel vermelde voorschriften zorgen exploitanten van een diervoederbedrijf die diervoeders in de handel brengen ervoor dat het diervoeder:
a) gezond, deugdelijk, zuiver, geschikt voor het beoogde doel en van goede handelskwaliteit is; en
b) geëtiketteerd, verpakt en aangeboden wordt overeenkomstig de voorschriften van deze verordening en andere toepasselijke Gemeenschapswetgeving.
De voorschriften van artikel 16 van Verordening (EG) nr. 178/2002 zijn van overeenkomstige toepassing op diervoeders voor niet-voedselproducerende dieren.
3. Diervoeders voldoen aan de technische voorschriften inzake onzuiverheden en andere chemische determinanten als bedoeld in bijlage I bij deze verordening.