Art. 39 De algemene groepsvrijstellingsverordening, Opleidingssteun

Verordening (EG) nr. 800/2008 (De algemene groepsvrijstellingsverordening)

1. Opleidingssteun is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits aan de in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2. De steunintensiteit bedraagt niet meer dan:

a) 25 % van de in aanmerking komende kosten voor specifieke opleiding, en

b) 60 % van de in aanmerking komende kosten voor algemene opleiding.

De steunintensiteit kan evenwel als volgt worden verhoogd tot een maximum steunintensiteit van 80 % van de in aanmerking komende kosten:

a) met 10 procentpunt indien de opleiding aan gehandicapte of kwetsbare werknemers wordt gegeven;

b) met 10 procentpunt indien de steun aan middelgrote ondernemingen wordt verleend en met 20 procentpunt indien de steun aan kleine ondernemingen wordt verleend.

Wanneer de steun in de sector zeevervoer wordt verleend, mag de steunintensiteit 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen, ongeacht of het een specifieke dan wel een algemene opleiding betreft, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) degene die de opleiding volgt, mag niet tot de actieve bemanning behoren; en

b) de opleiding moet plaatsvinden aan boord van een schip dat in de Gemeenschap is geregistreerd.

3. Ingeval het steunproject zowel componenten van specifieke opleiding als componenten van algemene opleiding omvat die voor de berekening van de steunintensiteit niet van elkaar kunnen worden gescheiden, of ingeval het specifieke dan wel algemene karakter van het project inzake opleidingssteun niet kan worden aangetoond, zijn de voor specifieke opleiding geldende steunintensiteiten van toepassing.

4. De in aanmerking komende kosten van een opleidingsproject zijn de volgende:

a) de personeelskosten van de opleiders;

b) de verplaatsingskosten van de opleiders en degenen die de opleiding volgen, daaronder begrepen de verblijfskosten;

c) andere lopende uitgaven voor materiaal en benodigdheden die rechtstreeks met het project verband houden;

d) de afschrijving van werktuigen en uitrusting voor zover deze uitsluitend voor het opleidingsproject worden gebruikt;

e) de kosten van diensten inzake begeleiding en advisering met betrekking tot het opleidingsproject;

f) de personeelskosten van degenen die de opleiding volgen en algemene indirecte kosten (administratieve kosten, huur, algemene vaste kosten), ten belope van ten hoogste het totaal van de overige, in de punten a) tot en met e) bedoelde, in aanmerking komende kosten. Wat betreft de personeelskosten van degenen die de opleiding volgen, mag slechts rekening worden gehouden met de uren die de deelnemers aan de opleiding daadwerkelijk daaraan besteden, na aftrek van de door hen gewerkte uren.

Vorige artikelen

Volgende artikelen