Art. 31 De algemene groepsvrijstellingsverordening, Steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten
Verordening (EG) nr. 800/2008 (De algemene groepsvrijstellingsverordening)
1. Steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits aan de in de leden 2 tot 5 van dit artikel vastgestelde voorwaarden is voldaan.
2. Het gesteunde deel van het onderzoeksproject valt volledig binnen één of meer van de volgende onderzoekscategorieën:
a) fundamenteel onderzoek;
b) industrieel onderzoek;
c) experimentele ontwikkeling.
Wanneer een project verschillende soorten opdrachten omvat, wordt elke opdracht aangemerkt als behorend tot één van de in de eerste alinea genoemde categorieën, of als niet behorend tot één van die categorieën.
3. De steunintensiteit bedraagt niet meer dan:
a) 100 % van de in aanmerking komende kosten voor fundamenteel onderzoek;
b) 50 % van de in aanmerking komende kosten voor industrieel onderzoek, en
c) 25 % van de in aanmerking komende kosten voor experimentele ontwikkeling.
De steunintensiteit wordt bepaald voor elke begunstigde van de steun, ook in het geval van een samenwerkingsproject als bepaald in lid 4, onder b), punt i).
Wanneer steun wordt verleend voor een onderzoeks- en ontwikkelingsproject waarbij onderzoeksorganisaties en ondernemingen samenwerken, mag het gecumuleerde steunbedrag van rechtstreekse overheidssteun ten behoeve van een specifiek project en van bijdragen van onderzoeksorganisaties voor dat project, voor zover deze steun inhouden, niet hoger uitkomen dan de voor elke begunstigde onderneming van toepassing zijnde steundrempels.
4. De in lid 3 voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling vastgestelde basissteunintensiteiten mogen als volgt worden verhoogd:
a) wanneer aan kmo’s steun wordt verleend, kan de steunintensiteit worden verhoogd met 10 procentpunt voor middelgrote ondernemingen en 20 procentpunt voor kleine ondernemingen;
b) een verhoging met 15 procentpunt is mogelijk tot een maximum steunintensiteit van 80 % van de in aanmerking komende kosten indien:
i) het project daadwerkelijke samenwerking tussen ten minste twee onderling onafhankelijke ondernemingen behelst en aan de volgende voorwaarden is voldaan:
— geen van de ondernemingen neemt meer dan 70 % van de in aanmerking komende kosten van het samenwerkingsproject voor haar rekening,
— het project behelst samenwerking met ten minste één kmo of er is sprake van grensoverschrijdende samenwerking in ten minste twee verschillende lidstaten; of
ii) het project behelst daadwerkelijke samenwerking tussen een onderneming en een onderzoeksorganisatie en aan de volgende voorwaarden is voldaan:
— de onderzoeksorganisatie draagt ten minste 10 % van de in aanmerking komende projectkosten, en
— de onderzoeksorganisatie heeft het recht de resultaten van de onderzoeksprojecten te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek; of
iii) in het geval van industrieel onderzoek: wanneer de projectresultaten ruim worden verspreid door middel van technische en wetenschappelijke conferenties of door publicatie in wetenschappelijke en technische tijdschriften of door databanken waarin iedereen ruwe onderzoekgegevens vrij kan raadplegen (open access repositories), of door vrije of open bron software.
Voor de toepassing van de punten b) i) en b) ii) van de eerste alinea geldt uitbesteding niet als daadwerkelijke samenwerking.
5. De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:
a) personeelskosten (onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel, voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden);
b) kosten van apparatuur en uitrusting, voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het onderzoeksproject. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd;
c) kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of daadwerkelijk gemaakte investeringskosten in aanmerking;
d) kosten van contractonderzoek, technische kennis en octrooien die tegen marktprijzen worden verworven bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, mits de transactie overeenkomstig het arm’s length-beginsel heeft plaatsgevonden en er geen sprake is van collusie. Voorts ook kosten voor advisering en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor de onderzoeksactiviteiten worden gebruikt;
e) extra algemene vaste kosten die rechtstreeks uit het onderzoeksproject voortvloeien;
f) andere kosten, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit de onderzoeksactiviteit voortvloeien.
6. Alle in aanmerking komende kosten worden bij een specifieke categorie onderzoek en ontwikkeling ingedeeld.