Art. 2 De algemene groepsvrijstellingsverordening, Definities

Verordening (EG) nr. 800/2008 (De algemene groepsvrijstellingsverordening)

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1. „steun” of „steunmaatregel”: elke maatregel die aan alle criteria van artikel 87, lid 1, van het Verdrag voldoet;

2. „steunregeling”: elke regeling op grond waarvan aan ondernemingen die in de regeling op algemene en abstracte wijze zijn omschreven, individuele steun kan worden toegekend zonder dat hiervoor nog uitvoeringsmaatregelen vereist zijn, alsmede elke regeling op grond waarvan steun die niet aan een bepaald project is gebonden, voor onbepaalde tijd en/of voor een onbepaald bedrag aan één of meer ondernemingen kan worden toegekend;

3. „individuele steun”:

a) ad-hoc steun en

b) steun die op grond van een steunregeling wordt toegekend en moet worden aangemeld;

4. „ad-hoc steun”: individuele steun die niet op grond van een steunregeling wordt verleend;

5. „steunintensiteit”: het steunbedrag, uitgedrukt als een percentage van de in aanmerking komende kosten;

6. „doorzichtige steun”: steun waarvan het bruto-subsidie-equivalent vooraf precies kan worden berekend zonder dat een risicoanalyse behoeft te worden uitgevoerd;

7. „kleine en middelgrote ondernemingen” of „kmo’s”: ondernemingen die aan de in Bijlage I vastgestelde criteria voldoen;

8. „grote ondernemingen”: ondernemingen die niet aan de aan de in Bijlage I vastgestelde criteria voldoen;

9. „steungebieden”: voor regionale steun in aanmerking komende gebieden, zoals die zijn afgebakend op de goedgekeurde regionale-steunkaart voor de betrokken lidstaat voor de periode 2007-2013;

10. „materiële activa”: onverminderd artikel 17, punt 12, activa met betrekking tot gronden, gebouwen en installaties, machines en uitrusting. In de vervoerssector worden vervoermiddelen en vervoersuitrusting als in aanmerking komende activa beschouwd, behalve wat betreft regionale steun en met uitzondering van het vrachtvervoer over de weg en het luchtvervoer;

11. „immateriële activa”: activa die technologieoverdracht door de verwerving van octrooirechten, licenties, knowhow of niet-geoctrooieerde technische kennis inhouden;

12. „groot investeringsproject”: een initiële investering in kapitaalgoederen waarbij de in aanmerking komende uitgaven meer dan 50 miljoen EUR bedragen, berekend in prijzen en wisselkoersen die gelden op het tijdstip dat de steun wordt toegekend;

13. „aantal werknemers”: het aantal arbeidsjaareenheden (AJE’s), zijnde het aantal gedurende een jaar voltijds werkende werknemers, waarbij deeltijdarbeid en seizoenarbeid in fracties van arbeidsjaareenheden worden uitgedrukt;

14. „rechtstreeks door een investeringsproject geschapen werkgelegenheid”: werkgelegenheid die verband houdt met de activiteit waarop de investering betrekking heeft, daaronder begrepen werkgelegenheid die dankzij een verhoging van de bezettingsgraad van de door de investering gecreëerde capaciteit is geschapen;

15. „loonkosten”: het totale bedrag dat daadwerkelijk door de begunstigde van de steun ten aanzien van de desbetreffende werkgelegenheid moet worden betaald, en dat omvat:

a) het brutoloon, vóór belasting,

b) de verplichte bijdragen, zoals sociale zekerheidsbijdragen, en

c) de kosten voor kinder- en ouderenzorg;

16. „kmo-steun ten behoeve van investeringen en werkgelegenheid”: steun die aan de in artikel 15 bepaalde voorwaarden voldoet;

17. „investeringssteun”: investerings- en werkgelegenheidssteun uit hoofde van artikel 13, kmo-steun ten behoeve van investeringen en werkgelegenheid uit hoofde van artikel 15, en investeringssteun voor milieubescherming op grond van de artikelen 18 tot en met 23;

18. „kwetsbare werknemer”: een persoon die:

a) in de voorafgaande zes maanden geen reguliere betaalde betrekking hebben gevonden;

b) geen diploma van hoger middelbaar onderwijs hebben behaald of geen beroepsopleiding hebben gevolgd (ISCED 3);

c) ouder is dan 50 jaar;

d) als alleenstaande volwassene de zorg heeft voor één of meer ten laste komende personen;

e) werkzaam is in een sector of beroep in een lidstaat waar een gebrek aan evenwicht bestaat tussen mannen en vrouwen dat ten minste 25 % groter is dan de gemiddelde verhouding tussen mannen en vrouwen in alle economische sectoren in die lidstaat indien die persoon tot de ondervertegenwoordigde geslachtsgroep behoort, of;

f) behoort tot een etnische minderheid in een lidstaat en van wie het profiel met betrekking tot talenkennis, beroepsopleiding of werkervaring moet worden bijgesteld om zijn vooruitzicht op het verkrijgen van vast werk te verbeteren;

19. „uiterst kwetsbare werknemers”: personen die in de voorafgaande 24 maanden werkloos zijn geweest;

20. „gehandicapte werknemers”:

a) personen die overeenkomstig het nationale recht als gehandicapt worden erkend, of

b) personen die een erkende beperking hebben als gevolg van een fysieke, mentale of psychische handicap;

21. „sociale werkvoorziening”: werkgelegenheid in een onderneming waarvan het personeelsbestand voor ten minste 50 % uit gehandicapte werknemers bestaat;

22. „landbouwproducten”:

a) de in Bijlage I bij het Verdrag opgenomen producten, met uitzondering van visserijproducten en producten van de aquacultuur die onder Verordening (EG) nr. 104/2001 van de Raad vallen;

b) producten van de GN-codes 4502 , 4503 en 4504 (kurkproducten);

c) producten die zijn bedoeld om melk en zuivelproducten te imiteren of te vervangen, zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (25);

23. „verwerking van landbouwproducten”: een bewerking van een landbouwproduct die een product oplevert dat nog steeds een landbouwproduct is, met uitzondering van activiteiten op landbouwbedrijven die nodig zijn om een plantaardig of dierlijk product voor de eerste verkoop voor te bereiden;

24. „afzet van landbouwproducten”: het in voorraad hebben of uitstellen met het oog op verkoop, te koop aanbieden, leveren of op enige andere wijze verhandelen, met uitzondering van de eerste verkoop door een primaire producent aan wederverkopers of verwerkingsbedrijven en alle activiteiten waarmee een product voor een dergelijke eerste verkoop wordt voorbereid. De verkoop door een primaire producent aan eindgebruikers geldt als afzet indien deze plaatsvindt in speciaal daartoe voorziene afzonderlijke ruimten;

25. „toeristische activiteiten”: de volgende activiteiten in de zin van NACE Rev. 2:

a) NACE 55: Verschaffen van accommodatie

b) NACE 56: Eet- en drinkgelegenheden;

c) NACE 79: Reisbureaus, reisorganisatoren, reserveringsbureaus en aanverwante activiteiten;

d) NACE 90: Creatieve activiteiten, kunst en amusement;

e) NACE 91: Bibliotheken, archieven, musea en overige culturele activiteiten;

f) NACE 93: Sport, ontspanning en recreatie;

26. „terugbetaalbaar voorschot”: een lening voor een project die in één of meer tranches wordt betaald en waarbij de voorwaarden voor terugbetaling afhangen van de uitkomst van het onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatieproject;

27. „risicokapitaal”: risicodragend vermogen en hybride kapitaal van ondernemingen tijdens hun vroege-groeifasen (seed-, aanloop- en groeifase);

28. „nieuw, door vrouwelijke ondernemers opgerichte ondernemingen”: een kleine onderneming die aan de volgende voorwaarden voldoet:

a) één of meer vrouwen zijn eigenares of eigenaressen van ten minste 51 % van het kapitaal van de betrokken kleine onderneming of zijn de geregistreerde eigenaresse of eigenaressen van de betrokken kleine onderneming, en

b) een vrouw is met het management van de kleine onderneming belast.

29. „ijzer- en staalindustrie”: alle werkzaamheden met betrekking tot de productie van een of meer van de volgende producten:

a) ruwijzer en ferrolegeringen:

ruwijzer voor vervaardiging van staal, gieterij-ijzer en andere ruwijzersoorten, spiegelijzer en ferromangaan carburé, niet inbegrepen de andere ferrolegeringen;

b) ruwe producten en halffabricaten van ijzer, van gewoon staal of van speciaal staal:

vloeibaar staal al dan niet gegoten tot blokken, waaronder smeedblokken; halffabricaten: bloemen, knuppels, plakken, plaatstrippen, warmgewalst breedband op rollen, behalve de productie van gegoten staal voor staalgietwerk, zoals die van kleine en middelgrote zelfstandige gieterijen;

c) warmgewalste walserijproducten van ijzer, van gewoon staal of van speciaal staal:

rails, dwarsliggers, onderlegplaten, klemplaten, balken, zware profielen en staven van 80 mm en meer, damwandstaal, staven en profielen van minder dan 80 mm en plaatstaal van minder dan 150 mm breedte, walsdraad, rond en vierkant staafmateriaal voor buizen, warmgewalst bandstaal en warmgewalste strippen (met inbegrip van buizenstrip), platen met een dikte van 3 mm en meer, universaalstaal van 150 mm en meer, met uitzondering van draadproducten, blanke staven en ijzergietwerk;

d) koudgewalste eindproducten:

blik, verlode plaat, zwarte plaat, gegalvaniseerde platen, andere platen met bekleed oppervlak, koudgewalste plaat, op rollen en in platen, dynamo- en transformatorplaat, band bestemd voor het maken van blik;

e) buizen:

stalen buizen (naadloos of gelast) met een diameter van meer dan 406,4 mm, van ijzer of staal;

30. „synthetischevezelindustrie”:

a) de extrusie/texturizering van alle algemene soorten vezels en garens op basis van polyester, polyamide, acryl of polypropeen, ongeacht het eindgebruik ervan, of

b) polymerisatie (daaronder begrepen polycondensatie), wanneer deze wordt geïntegreerd met extrusie wat de gebruikte machines betreft, of

c) elk nevenprocedé dat verband houdt met de gelijktijdige installatie van extrusie-/texturizeringscapaciteit door de potentiële begunstigde onderneming of door een andere onderneming van het concern waartoe deze behoort, en die in de betrokken specifieke bedrijfsactiviteit normaal gesproken van een dergelijke capaciteit, wat de gebruikte machines betreft, deel uitmaak.

Vorige artikelen

Volgende artikelen