Art. 32 Verordening (EG) nr. 376/2008
1. De in artikel 31 bedoelde bewijzen worden op de volgende wijze geleverd:
a) in de in artikel 31, onder a), bedoelde gevallen: door overlegging van het overeenkomstig artikel 23 of artikel 24 geviseerde exemplaar nr. 1 van het certificaat en, in voorkomend geval, van het overeenkomstig artikel 23 of artikel 24 geviseerde exemplaar nr. 1 van het uittreksel of de uittreksels van het certificaat;
b) in de in artikel 31, onder b), bedoelde gevallen, onverminderd lid 2 van dit artikel: door overlegging van het overeenkomstig artikel 23 of artikel 24 geviseerde exemplaar nr. 1 van het certificaat en, in voorkomend geval, van het overeenkomstig artikel 23 of artikel 24 geviseerde exemplaar nr. 1 van het uittreksel of de uittreksels van het certificaat.
2. Bovendien is, indien het gaat om uitvoer uit de Gemeenschap, om een leverantie met een bestemming als bedoeld in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 800/1999 of om plaatsing onder de in artikel 40 van die verordening bedoelde regeling, overlegging van een aanvullend bewijs vereist.
Dit aanvullende bewijs wordt op de volgende wijze geleverd:
a) op een door de betrokken lidstaat zelf te bepalen wijze in die gevallen waarin in één en dezelfde lidstaat:
i) het certificaat wordt afgegeven, en
ii) de in artikel 23, lid 1, onder b), van deze verordening bedoelde aangifte wordt aanvaard, en
iii) het product:
— het douanegebied van de Gemeenschap verlaat; voor de toepassing van deze verordening worden leveranties van producten die uitsluitend zijn bestemd om te worden verbruikt op boor- of productieplatforms, met inbegrip van daarbij behorende installaties voor dienstverlening, die zich bevinden binnen het gebied van het Europese continentaal plat of binnen dat van het continentaal plat van het niet-Europese deel van de Gemeenschap, maar buiten een zone van drie mijl vanaf de basislijn waarvan wordt uitgegaan voor de afbakening van de territoriale wateren van een lidstaat, geacht het douanegebied van de Gemeenschap te hebben verlaten, of
— op een van de in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 800/1999 bedoelde bestemmingen wordt geleverd, of
— in een bevoorradingsdepot als bedoeld in artikel 40 van Verordening (EG) nr. 800/1999 wordt opgeslagen;
b) in de andere gevallen wordt het aanvullende bewijs geleverd:
i) door overlegging van het controle-exemplaar T 5 of de controle-exemplaren T 5 als bedoeld in artikel 912 bis van Verordening (EEG) nr. 2454/93 of van een voor eensluidend gewaarmerkte kopie of fotokopie van het controle-exemplaar T 5 of de controle-exemplaren T 5, of
ii) door overlegging van een verklaring van de voor de uitkering van de restituties bevoegde instantie waarin wordt bevestigd dat aan de in artikel 31, onder b), van deze verordening bedoelde voorwaarden is voldaan, of
iii) door overlegging van een gelijkwaardig bewijsstuk als bedoeld in lid 4 van dit artikel.
Wanneer het controle-exemplaar T 5 uitsluitend tot doel heeft het vrijgeven van de zekerheid mogelijk te maken, wordt in vak 106 van het controle-exemplaar T 5 een van de in bijlage III, deel C, bij deze verordening opgenomen vermeldingen aangebracht.
Indien evenwel een uittreksel van een certificaat, een vervangingscertificaat of een vervangingsuittreksel wordt gebruikt, worden aan die vermelding het nummer van het oorspronkelijke certificaat en de naam en het adres van de instantie van afgifte toegevoegd.
De onder b), punten i) en ii), bedoelde documenten worden langs administratieve weg aan de instantie van afgifte van het certificaat toegezonden.
3. Wanneer het product, nadat de aangifte ten uitvoer als bedoeld in artikel 23, lid 1, onder b), is aanvaard, onder een van de in de artikelen 412 tot en met 442 bis van Verordening (EEG) nr. 2454/93 of in titel X, hoofdstuk I, van aanhangsel I van de Overeenkomst van 20 mei 1987 betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer bedoelde vereenvoudigde procedures wordt geplaatst om naar een station van bestemming of een ontvanger buiten het douanegebied van de Gemeenschap te worden vervoerd, wordt het in lid 2, onder b), van dit artikel bedoelde controle-exemplaar T 5 langs administratieve weg aan de instantie van afgifte toegezonden. In vak „J” van het controle-exemplaar T 5 wordt in dat geval in de rubriek „Opmerkingen” een van de in bijlage III, deel D, bij deze verordening opgenomen vermeldingen aangebracht.
In het in de eerste alinea bedoelde geval mag het kantoor van vertrek een wijziging van de vervoersovereenkomst die tot gevolg heeft dat het vervoer binnen de Gemeenschap wordt beeindigd, slechts toestaan indien vaststaat:
a) dat, mocht de zekerheid reeds zijn vrijgegeven, deze opnieuw is gesteld, of
b) dat door de betrokken diensten alle maatregelen zijn getroffen opdat de zekerheid voor het betrokken product niet wordt vrijgegeven.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen indien de zekerheid is vrijgegeven en het product niet is uitgevoerd.
4. Indien het in lid 2, onde b), bedoelde controle-exemplaar T 5 als gevolg van omstandigheden buiten de wil van de belanghebbende niet binnen drie maanden te rekenen vanaf de afgifte kon worden overgelegd, kan de belanghebbende bij de bevoegde instantie een met redenen omkleed en van bewijsstukken vergezeld gaand verzoek indienen om andere documenten als gelijkwaardig te erkennen.
De bij het verzoek om deze erkenning over te leggen bewijsstukken zijn die welke in artikel 49, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 800/1999 zijn bedoeld.