Art. 5 Richtlijn 2008/71/EG

Richtlijn 2008/71/EG

1. De lidstaten zien erop toe dat de volgende algemene beginselen worden nageleefd:

a) identificatiemerktekens moeten worden aangebracht voordat de dieren het bedrijf waar ze geboren zijn, verlaten;

b) geen enkel merkteken mag worden verwijderd of vervangen zonder toestemming van de bevoegde autoriteit.

Wanneer een merkteken onleesbaar is geworden of is verloren, moet overeenkomstig dit artikel een nieuw merkteken worden aangebracht;

c) elk nieuw merkteken moet door de houder in het in artikel 4 bedoelde register worden genoteerd zodanig dat er een verband wordt gelegd met het vorige merkteken dat op het dier was aangebracht.

2. De dieren moeten zo snel mogelijk en in ieder geval voordat zij het bedrijf verlaten, worden gemerkt met een oormerk of een tatoeage aan de hand waarvan het bedrijf van herkomst kan worden vastgesteld en waardoor een verband kan worden gelegd met de in artikel 3, lid 1, onder a), bedoelde lijst; in de begeleidende documenten dient van dit merk melding te worden gemaakt.

In afwijking van artikel 3, lid 1, onder c), tweede alinea, van Richtlijn 90/425/EEG kunnen de lidstaten hun nationale systeem handhaven voor alle verplaatsingen van dieren op hun grondgebied. Met dit systeem moet het mogelijk zijn het bedrijf van herkomst te identificeren en het bedrijf waar het dier geboren is op te sporen. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de systemen die zij te dien einde zullen toepassen. Volgens de procedure van artikel 18 van Richtlijn 90/425/EEG kan een lidstaat worden verzocht het systeem te wijzigen wanneer het niet aan de voornoemde vereiste voldoet.

Dieren met een tijdelijk merkteken ter identificatie van een partij moeten gedurende de verplaatsing vergezeld gaan van een document aan de hand waarvan de oorsprong, de eigenaar en de plaats van vertrek en bestemming van de dieren kunnen worden bepaald.

Vorige artikelen

Volgende artikelen