Art. 33 Richtlijn 2008/57/EG, Nationale voertuigenregisters

Richtlijn 2008/57/EG

1. Elke lidstaat houdt een register bij van de voertuigen die op zijn grondgebied zijn goedgekeurd. Dit register voldoet aan de volgende criteria:

a) het voldoet aan de gemeenschappelijke specificaties bedoeld in lid 2;

b) het wordt bijgehouden door een instantie die onafhankelijk is van enige spoorwegonderneming;

c) het is toegankelijk voor de veiligheidsinstanties en de onderzoeksorganen die zijn aangewezen in het kader van de artikelen 16 en 21 van Richtlijn 2004/49/EG; het is tevens, voor elk wettig verzoek, toegankelijk voor de toezichthoudende instanties die zijn aangewezen in het kader van artikel 30 van Richtlijn 2001/14/EG en voor het Bureau, voor de spoorwegonderneming en voor infrastructuurbeheerders alsook voor personen of organisaties die voertuigen registreren of in het register zijn opgenomen.

2. De gemeenschappelijke specificaties van het register worden bepaald volgens de in artikel 29, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure en op basis van ontwerpspecificaties van het Bureau. Deze ontwerpspecificaties omvatten: inhoud, dataformaat, functionele en technische architectuur, bedrijfsmodus, met inbegrip van een regeling voor de uitwisseling van gegevens en voorschriften voor gegevensinvoer en overleg. Voor elk voertuig worden in dit register in ieder geval de volgende gegevens opgenomen:

a) het EVN;

b) referenties van de EG-keuringsverklaring en van de dienst die deze verklaring heeft afgegeven;

c) referenties van het Europees register van goedgekeurde voertuigentypen als bedoeld in artikel 34;

d) de gegevens van de eigenaar en de houder van het voertuig;

e) beperkingen ten aanzien van de exploitatiewijze van het rijtuig;

f) de met het onderhoud belaste entiteit.

3. De registratiehouder brengt elke wijziging van de gegevens die in het nationale voertuigenregister zijn ingevoerd, de vernietiging van een voertuig of zijn besluit een voertuig niet langer te registreren, onverwijld ter kennis van de instantie van de lidstaat waar het voertuig voor het eerst een vergunning heeft gekregen.

4. Zolang de nationale voertuigenregisters van de lidstaten niet met elkaar zijn verbonden, werkt elke lidstaat zijn register bij door met betrekking tot de hem betreffende gegevens de aanpassingen over te nemen die een andere lidstaat in zijn eigen register heeft aangebracht.

5. In het geval van voertuigen die voor het eerst in een derde land in dienst zijn gesteld en waarvoor een lidstaat een vergunning voor indienststelling op zijn grondgebied heeft afgegeven, zorgt die lidstaat ervoor dat de in lid 2, onder d), e) en f), vermelde gegevens via het nationale voertuigenregister kunnen worden opgevraagd. De in lid 2, onder f), bedoelde gegevens kunnen worden vervangen door kritieke veiligheidsgegevens met betrekking tot het onderhoudsschema.