Art. 53 Verordening (EG) nr. 1580/2007, Referentieperiode
Verordening (EG) nr. 1580/2007
1. Het in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1182/2007 bedoelde maximum van de steun wordt elk jaar berekend op basis van de waarde van de productie die in een door de lidstaten vast te stellen referentieperiode van twaalf maanden in de handel is gebracht.
2. De referentieperiode wordt door de lidstaten voor elke producentenorganisatie vastgesteld als:
a) een periode van twaalf maanden die niet eerder begint dan op 1 januari drie jaar vóór het jaar waarin het operationele programma wordt uitgevoerd, en uiterlijk afloopt op 1 augustus van dat jaar, of
b) de gemiddelde waarde over drie opeenvolgende perioden van twaalf maanden die niet eerder beginnen dan op 1 januari vijf jaar vóór het jaar waarin het operationele programma wordt uitgevoerd, en uiterlijk eindigen op 1 augustus van dat jaar.
3. De periode van 12 maanden is de boekingsperiode van de betrokken producentenorganisatie.
De referentieperiode mag gedurende de looptijd van een operationeel programma niet worden gewijzigd, tenzij daarvoor gegronde redenen worden aangevoerd.
4. Bij een waardevermindering van een product om ten genoegen van de lidstaat naar behoren gemotiveerde redenen die buiten de verantwoordelijkheid en de bevoegdheid van de producentenorganisatie vallen, mag de in lid 1 bedoelde waarde van de in de handel gebrachte productie niet minder bedragen dan 65 % van de waarde van het betrokken product in de voorafgaande referentieperiode.
De in de eerste alinea bedoelde redenen dienen naar behoren te worden gemotiveerd.
5. Wanneer recentelijk erkende producentenorganisaties over onvoldoende historische gegevens betreffende de in de handel gebrachte productie beschikken voor de toepassing van lid 2, kan de waarde van de verhandelbare productie die de producentenorganisatie met het oog op haar erkenning heeft opgegeven, worden beschouwd als waarde van de in de handel gebrachte productie. Deze waarde wordt berekend als de gemiddelde waarde van de in de drie voorafgaande jaren in de handel gebrachte productie van alle producenten die op het ogenblik van de indiening van de erkenningsaanvraag lid zijn van de producentenorganisatie.
6. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om gegevens te verzamelen over de waarde van de in de handel gebrachte productie van producentenorganisaties die geen operationeel programma hebben ingediend.
7. In afwijking van het bepaalde in de leden 1 tot en met 6 vindt de berekening van de waarde van de in de handel gebrachte productie voor de referentieperiode plaats conform de in die referentieperiode geldende wetgeving.