Art. 4 Verordening (EG) nr. 1535/2007, Controle

Verordening (EG) nr. 1535/2007

1. Wanneer een lidstaat van plan is de-minimissteun aan een onderneming te verlenen, stelt hij de onderneming schriftelijk in kennis van het potentiële steunbedrag (uitgedrukt als brutosubsidie-equivalent) en van het feit dat het de-minimissteun betreft, waarbij uitdrukkelijk wordt verwezen naar deze verordening en de titel en de vindplaats ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Wanneer op basis van een regeling de-minimissteun aan verschillende ondernemingen wordt verleend en in het kader van die regeling uiteenlopende steunbedragen aan die ondernemingen worden verleend, kan de betrokken lidstaat ervoor opteren om deze verplichting te vervullen door de ondernemingen een vast bedrag mee te delen dat overeenstemt met het maximale steunbedrag dat in het kader van de regeling kan worden toegekend. In dat geval wordt het vaste bedrag gebruikt om te bepalen of het in artikel 3, lid 2, vastgestelde plafond in acht is genomen. Alvorens de steun te verlenen, verlangt de lidstaat van de betrokken onderneming tevens een schriftelijke of elektronische verklaring over alle andere in de twee voorgaande belastingjaren en in het lopende belastingjaar ontvangen de-minimissteun.

Elke begunstigde onderneming dient bij de lidstaat een verklaring in waarin staat dat het door die onderneming ontvangen bedrag het in artikel 3, lid 2, vastgestelde plafond niet overschrijdt. Als dit plafond wordt overschreden, ziet de betrokken lidstaat erop toe dat de steunmaatregel die tot de overschrijding van het plafond heeft geleid, bij de Commissie wordt aangemeld of dat de steun van de begunstigde onderneming wordt teruggevorderd.

2. Een lidstaat kan slechts nieuwe de-minimissteun verlenen nadat hij heeft nagegaan of de nieuwe steun het totale bedrag van de de-minimissteun die gedurende het lopende belastingjaar en de twee voorgaande belastingjaren werd ontvangen, niet zodanig doet toenemen dat de in artikel 3, leden 2 en 3, bedoelde plafonds worden overschreden.

3. Wanneer een lidstaat een centraal register voor de-minimissteun heeft ingevoerd dat alle gegevens bevat over elke de-minimissteun die binnen de werkingssfeer van deze verordening valt en die door een autoriteit van die lidstaat is verstrekt, is lid 1, tweede alinea, niet meer van toepassing zodra het register een periode van ten minste drie jaar bestrijkt.

4. Wanneer door een lidstaat steun wordt verleend op grond van een garantieregeling waarbij een garantie wordt verleend die krachtens een mandaat aan het Europees Investeringsfonds uit het communautaire budget wordt gefinancierd, kan van de toepassing van lid 1, eerste alinea, worden afgezien.

In dergelijke gevallen is het volgende controlesysteem van toepassing:

a) het Europees Investeringsfonds stelt op grond van de gegevens die financiële intermediairs aan dit fonds moeten verschaffen, jaarlijks een lijst op van de begunstigden van de steun en van het door elk van hen ontvangen brutosubsidie-equivalent; het Europees Investeringsfonds zendt deze gegevens toe aan de betrokken lidstaat en aan de Commissie;

b) de betrokken lidstaat geeft deze gegevens uiterlijk drie maanden nadat hij deze heeft ontvangen, door aan de uiteindelijke begunstigden van de steun;

c) de betrokken lidstaat ontvangt van elke begunstigde een verklaring waarin staat dat het bedrag van de door deze begunstigde ontvangen de-minimisssteun het de-minimisplafond niet overschrijdt. Als dit plafond wordt overschreden, ziet de betrokken lidstaat erop toe dat de steunmaatregel die tot de overschrijding van het plafond heeft geleid, bij de Commissie wordt aangemeld of dat de steun van de begunstigde onderneming wordt teruggevorderd.

5. De lidstaten registreren en verzamelen alle informatie die betrekking heeft op de toepassing van deze verordening. Deze dossiers bevatten alle informatie die nodig is om na te gaan of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan.

De bewaartermijn voor de in de eerste alinea bedoelde gegevens bedraagt:

a) voor individuele de-minimissteun: tien jaar, te rekenen vanaf het tijdstip van de toekenning van de steun;

b) voor de-minimissteunregelingen: tien jaar, te rekenen vanaf het tijdstip van de toekenning van de laatste individuele de-minimissteun in het kader van de betrokken regeling.

6. Op schriftelijk verzoek van de Commissie verstrekken de lidstaten haar binnen twintig werkdagen of binnen een langere in dit verzoek vastgestelde termijn alle informatie die de Commissie nodig acht om te kunnen nagaan of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan, met name ten aanzien van het totale bedrag aan de-minimissteun dat aan een bepaalde onderneming en aan de landbouwsector van de betrokken lidstaat is verleend.

Vorige artikelen

Volgende artikelen