Art. 5 Verordening (EG) nr. 834/2007, Specifieke beginselen voor de landbouw
Naast de algemene beginselen van artikel 4 is de biologische landbouw gebaseerd op de volgende specifieke beginselen:
a) de instandhouding en de bevordering van het bodemleven en de natuurlijke bodemvruchtbaarheid, de bodemstabiliteit en de bodembiodiversiteit, de voorkoming en bestrijding van bodemverdichting en erosie, en voeding van de gewassen hoofdzakelijk via het bodemecosysteem;
b) de beperking van het gebruik van niet-hernieuwbare hulpbronnen en externe productiemiddelen tot een minimum;
c) de recyclage van afval en bijproducten van plantaardige en dierlijke oorsprong tot grondstoffen voor de gewassenteelt en de veehouderij;
d) de inachtneming van het plaatselijke of regionale ecologisch evenwicht bij het nemen van besluiten over de productie;
e) de instandhouding van de diergezondheid door stimulering van de natuurlijke immunologische weerstand van het dier, en door selectie van geschikte rassen en veehouderijpraktijken;
f) de instandhouding van de gezondheid van planten door middel van preventieve technieken, zoals de keuze van soorten en rassen die tegen schadelijke organismen en ziekten bestand zijn, passende vruchtwisselingen en mechanische en natuurkundige methoden en de bescherming van natuurlijke vijanden van schadelijke organismen;
g) de beoefening van aan de locatie aangepaste en grondgebonden veehouderij;
h) het naleven van een hoog niveau van dierenwelzijn, rekening houdend met soortspecifieke behoeften;
i) de productie van producten van de biologische veehouderij van dieren die sedert hun geboorte of het uitkomen van de eieren gedurende hun hele leven op biologische bedrijven hebben verbleven;
j) de keuze van rassen rekening houdend met het vermogen van de dieren om zich aan de plaatselijke omstandigheden aan te passen, met hun levenskracht en met hun resistentie tegen ziekten en andere gezondheidsproblemen;
k) het voederen van de dieren met biologisch voeder dat bestaat uit ingrediënten afkomstig van de biologische landbouw en andere natuurlijke stoffen van niet-agrarische oorsprong;
l) het gebruik van veehouderijpraktijken die het immuunsysteem versterken en de natuurlijke weerstand tegen ziekten verhogen, met name door geregelde beweging en toegang tot uitloop in de open lucht en, in voorkomend geval, tot weidegrond;
m) het uitsluiten van het houden van dieren met kunstmatig geïnduceerde polyploïdie;
n) wat de aquacultuurproductie betreft, de instandhouding van de biodiversiteit van natuurlijke waterecosystemen en de duurzame instandhouding van de gezondheid van het watermilieu en van de kwaliteit van de omliggende land- en waterecosystemen;
o) het voederen van aquatische organismen met voeder dat afkomstig is uit de duurzame exploitatie van visbestanden zoals omschreven in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (13) of met biologisch voeder dat samengesteld is uit landbouwingrediënten afkomstig van de biologische landbouw en uit natuurlijke stoffen van niet-agrarische oorsprong.