Art. 16 Verordening (EG) nr. 341/2007, Rechtstreeks vervoer
1. Als producten die uit de in bijlage IV genoemde derde landen rechtstreeks naar de Gemeenschap zijn vervoerd, worden beschouwd:
a) producten die niet over het grondgebied van een ander derde land zijn vervoerd;
b) producten die over het grondgebied van een of meer andere derde landen dan het land van oorsprong zijn vervoerd, al dan niet met overlading of tijdelijke opslag in die andere derde landen, mits het vervoer door die landen om geografische of vervoerstechnische redenen is gebeurd en de producten:
i) in het land of de landen van doorvoer of opslag onder toezicht van de douaneautoriteiten zijn gebleven;
ii) daar niet op de markt zijn gebracht of tot verbruik zijn vrijgegeven;
iii) daar geen andere behandelingen hebben ondergaan dan lossen en opnieuw laden of enige andere behandeling die de bewaring ervan in goede staat tot doel had.
2. Het bewijs dat aan de in lid 1, onder b), gestelde voorwaarden is voldaan, wordt aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten geleverd door overlegging van:
a) hetzij een enkel in het land van oorsprong afgegeven vervoersdocument onder dekking waarvan het vervoer door het land of de landen van doorvoer heeft plaatsgevonden;
b) hetzij een door de douaneautoriteiten van het land of de landen van doorvoer afgegeven certificaat waarin:
i) een nauwkeurige omschrijving van de goederen wordt gegeven;
ii) de data zijn aangegeven waarop de goederen zijn gelost en opnieuw zijn geladen, met gegevens ter identificatie van de gebruikte vervoermiddelen;
iii) een verklaring is opgenomen over de omstandigheden waaronder de goederen werden bewaard;
c) hetzij, wanneer het onder a) of b) bedoelde bewijs niet kan worden geleverd, enig ander bewijsstuk.