Art. 31 Richtlijn 2007/46/EG, Verkoop en in het verkeer brengen van onderdelen of uitrustingsstukken die een aanzienlijk risico kunnen vormen voor de correcte werking van essentiële systemen
1. De lidstaten staan de verkoop, het te koop aanbieden of het in het verkeer brengen van onderdelen of uitrustingsstukken die een aanzienlijk risico kunnen vormen voor de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of voor zijn milieuprestaties, alleen toe als voor deze onderdelen of uitrustingsstukken een vergunning is verleend door een goedkeuringsinstantie overeenkomstig de leden 5 tot en met 10.
2. De onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor de in lid 1 genoemde vergunning nodig is, worden opgenomen in de lijst die in bijlage XIII wordt vastgesteld. Een besluit hierover worden voorafgegaan door een evaluatie die uitmondt in een rapport, waarbij wordt gestreefd naar een eerlijk evenwicht tussen de volgende elementen:
a) het bestaan van een ernstig risico voor de veiligheid of de milieuprestaties van voertuigen waarop deze onderdelen of uitrustingsstukken zijn gemonteerd, en
b) de gevolgen die het uit hoofde van dit artikel opleggen van een eventuele vergunning voor onderdelen of uitrustingsstukken met zich meebrengt voor de consumenten en de fabrikanten in de secundaire markt voor onderdelen of uitrustingsstukken.
3. Lid 1 is niet van toepassing op originele onderdelen of uitrustingsstukken die onder een typegoedkeuring van een systeem vallen met betrekking tot een voertuig, noch op onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor een typegoedkeuring is verleend overeenkomstig de bepalingen van één van de in bijlage IV vermelde regelgevingen, tenzij deze goedkeuringen betrekking hebben op andere aspecten dan die welke onder lid 1 vallen. Lid 1 is niet van toepassing op onderdelen of uitrustingsstukken die uitsluitend zijn geproduceerd voor racevoertuigen die niet bedoeld zijn voor gebruik op openbare wegen. Indien in bijlage XIII vermelde onderdelen of uitrustingsstukken een tweeledige toepassing hebben voor racevoertuigen en voor voertuigen op de weg, mogen deze onderdelen of uitrustingsstukken niet aan het brede publiek worden verkocht of te koop aangeboden voor gebruik in voertuigen op de openbare weg tenzij zij voldoen aan de eisen van dit artikel.
Waar nodig neemt de Commissie bepalingen aan voor het identificeren van de in dit lid bedoelde onderdelen of uitrustingsstukken.
4. De Commissie stelt na raadpleging van de belanghebbenden de procedure en eisen van de in lid 1 bedoelde vergunningsprocedure vast, alsmede de regels voor een latere bijwerking van de lijst vastgesteld in bijlage XIII. De eisen omvatten regels op het gebied van veiligheid, milieubescherming en waar nodig, testnormen. Zij kunnen worden gebaseerd op de in bijlage IV opgesomde regelgevingen of worden opgesteld overeenkomstig de desbetreffende stand van de veiligheids-, milieu- en testtechnologie of kunnen, indien dit een juiste wijze is om de vereiste veiligheids- of milieudoelstellingen te verwezenlijken, een vergelijking opleggen van het onderdeel of het uitrustingsstuk met de milieu- of veiligheidsprestaties van het originele voertuig of, naargelang het geval, van een onderdeel daarvan.
5. Voor de toepassing van lid 1 dient de fabrikant van onderdelen of uitrustingsstukken bij de goedkeuringsinstantie een door een aangewezen technische dienst opgesteld testverslag in waarin wordt gecertificeerd dat de onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor toestemming wordt gevraagd, voldoen aan de in lid 4 bedoelde voorschriften. De fabrikant kan slechts één aanvraag per type per onderdeel bij slechts één goedkeuringsinstantie indienen.
In de aanvraag worden gegevens vermeld betreffende de fabrikant van de onderdelen of uitrustingsstukken, de type-, identificatie- en onderdeelnummers van de onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor een vergunning wordt gevraagd, alsook de naam van de fabrikant van het voertuig, het type voertuig en, in voorkomend geval, de bouwjaren of enige andere informatie aan de hand waarvan het voertuig waarvoor deze onderdelen of uitrustingsstukken zijn bestemd, kan worden geïdentificeerd.
Wanneer de goedkeuringsinstantie, rekening houdend met het testverslag en ander bewijsmateriaal, ervan overtuigd is dat de desbetreffende onderdelen of uitrustingsstukken voldoen aan de in lid 4 bedoelde voorschriften, geeft zij onverwijld, behoudens gefundeerd uitstel, een certificaat aan de fabrikant af. Op grond van dit certificaat mogen de onderdelen of uitrustingsstukken in de Gemeenschap worden verkocht, te koop worden aangeboden of op voertuigen worden gemonteerd, onder voorbehoud van de tweede alinea van lid 9.
6. Elk onderdeel of uitrustingsstuk waarvoor met toepassing van dit artikel een vergunning is verleend, wordt naar behoren gemerkt.
De Commissie stelt voorschriften inzake het merken en verpakken, alsmede het model en het nummeringssysteem van het in lid 5 genoemde certificaat worden vast.
7. De in leden 2 tot en met 6 bedoelde maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 40, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, daar zij bedoeld zijn tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn onder meer door aanvulling ervan.
8. De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die het certificaat heeft afgegeven, onverwijld in kennis van alle wijzigingen die van invloed zijn op de afgiftevoorwaarden. Deze goedkeuringsinstantie besluit of het certificaat opnieuw moet worden bezien of opnieuw moet worden afgegeven, en of nieuwe tests noodzakelijk zijn.
Het is de verantwoordelijkheid van de fabrikant ervoor te zorgen dat de onderdelen en de uitrustingsstukken vervaardigd worden en blijven worden volgens de voorwaarden waaronder het certificaat is afgegeven.
9. Alvorens een machtiging af te geven, gaat de goedkeuringsinstantie na of er bevredigende regelingen en procedures voorhanden zijn om een effectieve controle van de overeenstemming van de productie te waarborgen.
Wanneer de goedkeuringsinstantie oordeelt dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de afgifte van de vergunning, verzoekt zij de fabrikant de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de onderdelen of uitrustingsstukken opnieuw in overeenstemming worden gebracht. Indien nodig trekt zij de vergunning in.
10. Elke onenigheid tussen lidstaten met betrekking tot de in lid 5 bedoelde certificaten wordt ter kennis van de Commissie gebracht. Na overleg met de lidstaten neemt zij passende maatregelen en kan zij zelfs, waar nodig, de intrekking van de vergunning eisen.
11. Dit artikel is niet van toepassing op een onderdeel of uitrustingsstuk zolang dit niet in de lijst van bijlage XIII is opgenomen. Voor de opname van onderdelen of uitrustingsstukken of groepen daarvan in bijlage XIII wordt een redelijke overgangsperiode vastgesteld om de fabrikant van het onderdeel of uitrustingsstuk in staat te stellen een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Tegelijkertijd kan, waar nodig, een datum worden vastgesteld om onderdelen en uitrustingsstukken die zijn ontworpen voor voertuigen waaraan vóór die datum een typegoedkeuring is verleend, van de toepassing van dit artikel uit te sluiten.
12. Zolang er geen beslissing is genomen over het al dan niet opnemen van een onderdeel of uitrustingsstuk in de in lid 1 bedoelde lijst, kunnen de lidstaten nationale bepalingen handhaven in verband met onderdelen of uitrustingsstukken die een aanzienlijk risico kunnen vormen voor de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of zijn milieuprestaties.
Zodra een besluit is genomen, verliezen de nationale bepalingen in verband met de desbetreffende onderdelen of uitrustingsstukken hun geldigheid.
13. Vanaf 29 oktober 2007 nemen de lidstaten geen nieuwe bepalingen over onderdelen en uitrusting die een nadelige invloed kunnen hebben op de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of zijn milieuprestaties, aan.