Art. 36 Besluit 2007/533/EG, Doelstellingen en voorwaarden
1. Gegevens over personen of voertuigen, vaartuigen, luchtvaartuigen en containers worden met inachtneming van het nationale recht van de signalerende lidstaat, hetzij ter fine van onopvallende, hetzij ter fine van gerichte controles overeenkomstig het bepaalde in artikel 37, lid 4, opgenomen.
2. Een dergelijke signalering is toegestaan met het oog op de vervolging van strafbare feiten en ter voorkoming van gevaar voor de openbare veiligheid, indien:
a) er duidelijke aanwijzingen zijn dat een persoon een ernstig misdrijf beraamt of pleegt, zoals de in artikel 2, lid 2, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ vermelde strafbare feiten, of
b) een algemene beoordeling van een persoon, vooral op grond van de door hem gepleegde strafbare feiten, doet verwachten dat hij ernstige misdrijven, zoals de in artikel 2, lid 2, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ vermelde strafbare feiten, zal blijven plegen.
3. Voorts is signalering, voor zover dat krachtens het nationale recht is toegestaan, op verzoek van de voor de veiligheid van de staat bevoegde diensten mogelijk, indien er concrete aanwijzingen voor bestaan dat de in artikel 37, lid 1, genoemde gegevens met het oog op de voorkoming van een ernstige, van de desbetreffende persoon uitgaande bedreiging, dan wel van andere ernstige gevaren voor de interne of externe veiligheid van de staat noodzakelijk zijn. De lidstaat die op grond van dit lid de signalering verricht, stelt de overige lidstaten daarvan op de hoogte. Elke lidstaat bepaalt aan welke autoriteiten deze informatie wordt toegezonden.
4. Voertuigen, vaartuigen, luchtvaartuigen en containers kunnen worden gesignaleerd indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat zij in verband staan met een ernstig misdrijf zoals bedoeld in lid 2 of een ernstige bedreiging zoals bedoeld in lid 3.