Art. 30 Verordening (EG) nr. 1198/2006, Maatregelen inzake het aquatische milieu
Verordening (EG) nr. 1198/2006
1. Het EVF kan steun verlenen ter compensatie van het gebruik in de aquacultuur van productiemethoden die bijdragen tot de bescherming en verbetering van het milieu en tot de instandhouding van de natuur.
2. Het doel van de steun is de bevordering van:
a) vormen van aquacultuur die de bescherming en verbetering van het milieu, de natuurlijke rijkdommen en de genetische diversiteit, en het beheer van het landschap en de traditionele kenmerken van aquacultuurgebieden omvatten;
b) deelname aan het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) (14);
c) biologische aquacultuur in de zin van Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (15);
d) duurzame aquacultuur die strookt met specifieke milieueisen ten gevolge van de afbakening van NATURA 2000-gebieden overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (16).
3. Om voor compensatie op grond van dit artikel in aanmerking te komen, moeten begunstigden van compensatie zich ertoe verbinden gedurende ten minste vijf jaar milieunormen in de aquacultuur toe te passen die verder gaan dan de strikte toepassing van de normale goede aquacultuurmethoden. Voor de uit hoofde van lid 2, onder a), verleende steun moeten de milieuvoordelen van deze aanpak worden aangetoond door middel van een voorafgaande effectbeoordeling die moet worden uitgevoerd door bevoegde instanties die de lidstaat aanwijst.
4. De lidstaten berekenen de compensaties op basis van een of meer van de volgende criteria:
a) gederfde inkomsten;
b) eventuele extra kosten die voortvloeien uit de toepassing van milieuvriendelijke methoden in de aquacultuur;
c) de noodzaak van financiële steun voor de uitvoering van het project;
d) de specifieke nadelen van of de investeringskosten voor kwekerijen die zich bevinden in of nabij NATURA 2000-gebieden.
5. Een eenmalige compensatie wordt toegekend:
a) krachtens lid 2, onder a), op basis van een maximumbedrag per hectare van het gebied van de onderneming waarvoor milieuverplichtingen op aquacultuurgebied gelden;
b) krachtens lid 2, onder c), voor maximaal twee jaar, in de periode tijdens welke de onderneming overschakelt op biologische productie;
c) krachtens lid 2, onder d), voor maximaal twee jaar na de datum van het besluit tot vaststelling van het NATURA 2000-gebied, en alleen voor aquacultuureenheden die reeds vóór dat besluit bestonden.