Art. 48 Verordening (EG) nr. 1083/2006, Verantwoordelijkheid van de lidstaten
Verordening (EG) nr. 1083/2006
1. De lidstaten stellen de middelen ter beschikking die voor het maken van de evaluaties nodig zijn, organiseren de productie en verzameling van de vereiste gegevens en gebruiken de verschillende soorten gegevens die het toezichtsysteem oplevert.
Voorts kunnen zij, in voorkomend geval, in het kader van de convergentiedoelstelling overeenkomstig het in artikel 13 vastgestelde evenredigheidsbeginsel een evaluatieplan opstellen dat op indicatieve wijze de evaluatie-activiteiten weergeeft die de lidstaat van plan is te verrichten in de verschillende uitvoeringsfasen.
2. De lidstaten voeren een ex-ante evaluatie uit voor elk operationeel programma dat afzonderlijk voor de convergentiedoelstelling is opgesteld. In naar behoren gemotiveerde gevallen mag een lidstaat met inachtneming van het in artikel 13 bedoelde evenredigheidsbeginsel en zoals overeengekomen tussen de Commissie en die lidstaat, voor meer dan één operationeel programma een voorafgaande evaluatie uitvoeren.
Voor de doelstelling „Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid” maken zij hetzij een voorafgaande evaluatie die betrekking heeft op alle operationele programma's, hetzij een evaluatie voor elk Fonds, hetzij een evaluatie voor elke prioriteit, hetzij één voorafgaande evaluatie voor elk operationeel programma.
Voor de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” verrichten de lidstaten gezamenlijk een voorafgaande evaluatie per operationeel programma of een voorafgaande evaluatie die op verschillende operationele programma's betrekking heeft.
De voorafgaande evaluaties worden verricht onder de verantwoordelijkheid van de autoriteit die verantwoordelijk is voor het opstellen van de programmeringsdocumenten.
De voorafgaande evaluatie heeft tot doel tot een optimale toewijzing van de begrotingsmiddelen voor de operationele programma's te komen en de kwaliteit van de programmering te verbeteren. Zij omvat de bepaling en beoordeling van: de afwijkingen, lacunes en ontwikkelingsmogelijkheden, de te bereiken doelstellingen, de verwachte resultaten, de gekwantificeerde doelstellingen, indien nodig de coherentie van de voor de regio voorgestelde strategie, de meerwaarde van het optreden van de Gemeenschap, de mate waarin rekening is gehouden met de communautaire prioriteiten, de uit de voorgaande programmering getrokken lering en de kwaliteit van de procedures voor tenuitvoerlegging, toezicht, evaluatie en financieel beheer.
3. Tijdens de programmeringsperiode verrichten de lidstaten evaluaties die gerelateerd zijn aan het toezicht op de operationele programma's, met name wanneer uit het toezicht op de programma's blijkt dat aanzienlijk wordt afgeweken van de oorspronkelijk gestelde doelen, of wanneer voorstellen voor de herziening van operationele programma's worden gedaan als bedoeld in artikel 33. De resultaten worden toegezonden aan het Comité van toezicht voor het operationele programma en aan de Commissie.