Art. 10 Verordening (EG) nr. 842/2006, Evaluatie

Verordening (EG) nr. 842/2006

1. Op basis van de vorderingen bij de mogelijke insluiting of vervanging van gefluoreerde broeikasgassen in andere klimaatregelingssystemen dan die in motorvoertuigen zoals bedoeld in Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (19), alsook bij de in de diverse vervoerstakken gebruikte koelsystemen, evalueert de Commissie deze verordening en brengt zij hierover uiterlijk op 31 december 2007 een verslag uit . Indien nodig doet zij uiterlijk op 31 december 2008 dit verslag van wetgevingsvoorstellen vergezeld gaan, ook met betrekking tot de toepassing van artikel 3 op andere klimaatregelingssystemen dan die in motorvoertuigen zoals bedoeld in Richtlijn 70/156/EEG, alsook op de in de diverse vervoerstakken gebruikte koelsystemen.

2. Uiterlijk op 4 juli 2011 brengt de Commissie op basis van de ervaring met de toepassing van deze verordening een verslag uit. Dit verslag bevat in het bijzonder:

a) een evaluatie van de effecten van de desbetreffende bepalingen op de emissie en de geraamde emissie van gefluoreerde broeikasgassen, en een onderzoek naar de kosteneffectiviteit van deze bepalingen;

b) een beoordeling of, in het licht van toekomstige IPCC-evaluatieverslagen, andere gefluoreerde broeikassen aan bijlage I moeten worden toegevoegd;

c) een evaluatie van de opleidings- en certificeringsprogramma's die uit hoofde van artikel 5, lid 2, door de lidstaten zijn ingevoerd;

d) een beoordeling van de noodzaak om normen van de Gemeenschap vast te stellen voor de regulering van de emissie van gefluoreerde broeikasgassen uit producten en apparatuur, in het bijzonder wat betreft schuim, met inbegrip van technische voorschriften voor het ontwerp van producten en apparatuur;

e) een evaluatie van de doeltreffendheid van de insluitingsmaatregelen die krachtens artikel 3 door de exploitanten zijn uitgevoerd, alsook van de mogelijkheid om maximale lekkagewaarden voor installaties vast te stellen;

f) een beoordeling van en, indien nodig, voorstellen voor een wijziging van de rapportagevoorschriften van artikel 6, lid 1, met name inzake de kwantitatieve limiet van 1 t, alsmede een beoordeling van de noodzaak voor de bevoegde autoriteiten om op regelmatige tijdstippen aan de Commissie geraamde emissies op basis van representatieve stalen mee te delen teneinde de praktische toepassing van deze rapportagevoorschriften te verbeteren;

g) een beoordeling van de noodzaak van de ontwikkeling en verspreiding van notities waarin de beste beschikbare technieken en de optimale milieupraktijk voor de preventie en minimalisering van de emissie van gefluoreerde broeikasgassen worden beschreven;

h) een algehele inventarisatie van de ontwikkeling, zowel in de Gemeenschap als op internationaal niveau, van de stand van de technologie, met name wat betreft schuimen, de opgedane ervaring, milieuvoorschriften en eventuele gevolgen voor het functioneren van de interne markt;

i) een beoordeling of de vervanging van zwavelhexafluoride bij zandgietwerk, gietwerk met behulp van een permanente vorm en spuitgietwerk onder hoge druk technisch haalbaar en kosteneffectief is en, zo nodig, uiterlijk vóór 1 januari 2009 een voorstel om artikel 8, lid 1, te herzien; alsmede een evaluatie van de vrijstelling in artikel 8, lid 1, in het licht van een verdere beoordeling van de beschikbare alternatieven per 1 januari 2010;

j) een beoordeling of het technisch haalbaar en, rekening houdend met energie-efficiëntie, kosteneffectief is om andere producten en apparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, in bijlage II op te nemen, en waar nodig voorstellen tot wijziging van bijlage II, om ook die producten en materialen erin op te nemen;

k) een beoordeling of de communautaire bepalingen inzake het aardopwarmingsvermogen van gefluoreerde broeikasgassen moeten worden gewijzigd; bij eventuele wijzigingen moet rekening worden gehouden met de technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen en de noodzaak om de industriële productplanningstermijnen te eerbiedigen;

l) een beoordeling van de noodzaak van een verder optreden van de Gemeenschap en de lidstaten, rekening houdend met bestaande en nieuwe verplichtingen inzake de vermindering van de emissie van broeikasgassen.

3. Indien nodig, dient de Commissie passende voorstellen tot herziening van de relevante bepalingen van deze verordening in.

Vorige artikelen

Volgende artikelen