Art. 17 Richtlijn 2006/48/EG
1. De bevoegde autoriteiten kunnen de vergunning die is verleend aan een kredietinstelling alleen dan intrekken wanneer de instelling:
a) binnen een termijn van twaalf maanden geen gebruikmaakt van de vergunning, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven geen gebruik van de vergunning te zullen maken of de werkzaamheden gedurende een periode van meer dan zes maanden heeft gestaakt, tenzij de betrokken lidstaat heeft bepaald dat in die gevallen de vergunning vervalt;
b) de vergunning heeft verworven door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;
c) niet meer voldoet aan de voorwaarden waarop de vergunning is verleend;
d) geen voldoende eigen vermogen meer bezit of geen garantie meer biedt voor de nakoming van de verplichtingen tegenover schuldeisers en in het bijzonder niet meer de veiligheid van de toevertrouwde gelden waarborgt; of
e) wanneer een van de overige gevallen van intrekking waarin de nationale voorschriften voorzien, zich voordoet.
2. Iedere intrekking van een vergunning wordt, met redenen omkleed, medegedeeld aan de betrokkenen. De intrekking wordt ter kennis van de Commissie gebracht.