Art. 41 Richtlijn 2006/43/EG, Auditcomité
1. Elke organisatie van openbaar belang heeft een auditcomité. De lidstaten bepalen of auditcomités samengesteld moeten zijn uit niet bij het dagelijks bestuur betrokken leden van het leidinggevende en/of leden van het toezichthoudende orgaan van de gecontroleerde entiteit en/of leden die worden benoemd door de algemene aandeelhoudersvergadering van de gecontroleerde entiteit. Ten minste één lid van het auditcomité is onafhankelijk en beschikt over de nodige deskundigheid op het gebied van boekhouding en/of controle.
De lidstaten kunnen toestaan dat in organisaties van openbaar belang die voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 1, onder f), van Richtlijn 2003/71/EG (20), de aan het auditcomité toegewezen taken worden uitgevoerd door het leidinggevende of het toezichthoudende orgaan als geheel, mits de voorzitter van een dergelijk orgaan geen voorzitter van het auditcomité is indien hij of zij bij het dagelijks bestuur betrokken is.
2. Onverminderd de verantwoordelijkheid van de leden van het leidinggevende, bestuurs- of toezichthoudende orgaan of van andere leden die worden benoemd door de algemene aandeelhoudersvergadering van de gecontroleerde entiteit, heeft het auditcomité onder meer tot taak:
a) het monitoren van het financiële-verslaggevingsproces;
b) het monitoren van de doeltreffendheid van het internebeheersingssysteem, het eventuele interneauditsysteem en het risicomanagementsysteem van de vennootschap;
c) het monitoren van de wettelijke controle van de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening;
d) het beoordelen en monitoren van de onafhankelijkheid van de wettelijke auditor of het auditkantoor, waarbij met name wordt gelet op de verlening van nevendiensten aan de gecontroleerde entiteit.
3. Het voorstel van het leidinggevende of toezichthoudende orgaan in een organisatie van openbaar belang inzake de benoeming van een wettelijke auditor of auditkantoor moet gebaseerd zijn op een aanbeveling van het auditcomité.
4. De wettelijke auditor of het auditkantoor brengt aan het auditcomité verslag uit over bij de wettelijke controle van de jaarrekening aan het licht gekomen belangrijke zaken, en met name ernstige tekortkomingen in het internebeheersingsproces met betrekking tot de financiële verslaggeving.
5. De lidstaten kunnen toestaan of bepalen dat het bepaalde in de leden 1 tot en met 4 niet van toepassing is op enige organisatie van openbaar belang met een orgaan dat soortgelijke bevoegdheden heeft als een auditcomité en dat is ingesteld en functioneert volgens de voorschriften van de lidstaat waarin de te controleren entiteit geregistreerd is. In dergelijke gevallen deelt de entiteit mee welk orgaan deze bevoegdheden uitoefent en wat de samenstelling ervan is.
6. De lidstaten kunnen van de verplichting tot instelling van een auditcomité vrijstellen:
a) elke organisatie van openbaar belang die een dochteronderneming is, in de zin van artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG, indien de onderneming op groepsniveau voldoet aan de in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel gestelde eisen;
b) elke organisatie van openbaar belang die een instelling voor collectieve belegging is als omschreven in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 85/611/EEG; de lidstaten mogen ook organisaties van openbaar belang vrijstellen die het collectief beleggen van door het publiek ingelegd kapitaal als enig doel hebben, die volgens het beginsel van risicospreiding werken en die niet streven naar juridische of bestuurlijke zeggenschap over emittenten van hun onderliggende beleggingen, mits deze instellingen voor collectieve belegging zijn toegelaten en onder toezicht van bevoegde autoriteiten staan en een bewaarder hebben die taken uitvoert die gelijkwaardig zijn aan die uit hoofde van Richtlijn 85/611/EEG;
c) elke organisatie van openbaar belang waarvan de enige zakelijke activiteit bestaat in het uitgeven van door activa gedekte waardepapieren, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 809/2004 van de Commissie (21); in die gevallen verlangt de lidstaat van de instelling dat zij het publiek uiteenzet waarom zij het niet dienstig acht hetzij een auditcomité in te stellen, hetzij een leidinggevend of toezichthoudend orgaan dat belast is met de uitvoering van de taken van een auditcomité;
d) elke kredietinstelling in de zin van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2000/12/EG, waarvan de aandelen niet zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in enige lidstaat in de zin van artikel 4, lid 1, punt 14, van Richtlijn 2004/39/EG en die continu of herhaaldelijk alleen obligaties heeft uitgegeven, op voorwaarde dat al die obligaties een totaal nominaal bedrag van minder dan 100 000 000 EUR vertegenwoordigen en dat zij geen prospectus uit hoofde van Richtlijn 2003/71/EG heeft gepubliceerd.