Art. 29, Kwaliteitsborgingsstelsels
1. Elke lidstaat ziet erop toe dat alle wettelijke auditors en auditkantoren vallen onder een kwaliteitsborgingsstelsel dat ten minste aan de volgende criteria voldoet:
a) het kwaliteitsborgingsstelsel is op zodanige wijze opgezet dat het onafhankelijk is van de wettelijke auditors en auditkantoren die in het kader ervan worden beoordeeld, en dat het onderworpen is aan publiek toezicht als bedoeld in hoofdstuk VIII;
b) de financiering van het kwaliteitsborgingsstelsel is afdoende verzekerd en gevrijwaard tegen enigerlei ongewenste beïnvloeding door wettelijke auditors en auditkantoren;
c) aan het kwaliteitsborgingsstelsel zijn voldoende middelen toegewezen;
d) de personen die kwaliteitsbeoordelingen verrichten, beschikken over passende beroepskwalificaties en relevante beroepservaring op het gebied van wettelijke controle van jaarrekeningen en financiële verslaggeving, en hebben tevens een specifieke opleiding voor de uitvoering van kwaliteitsbeoordelingen genoten;
e) de selectie van beoordelaars voor het verrichten van specifieke kwaliteitsbeoordelingen vindt plaats volgens een objectieve procedure, opgezet om belangenconflicten te voorkomen tussen de beoordelaars en de wettelijke auditors en auditkantoren die worden beoordeeld;
f) de kwaliteitsbeoordeling, op basis van een adequate toetsing van een selectie van controledossiers, omvat onder meer een evaluatie van de naleving van de toepasselijke controlestandaarden en onafhankelijkheidseisen, van de kwantiteit en kwaliteit van ingezette middelen, van de door de auditor in rekening gebrachte honoraria voor controles en van het interne kwaliteitsbeheersingssysteem van het auditkantoor;
g) over de kwaliteitsbeoordeling wordt een verslag opgesteld waarin de voornaamste conclusies van de kwaliteitsbeoordeling zijn opgenomen;
h) ten minste om de zes jaar vindt er een kwaliteitsbeoordeling plaats;
i) de algemene resultaten van het kwaliteitsborgingsstelsel worden jaarlijks openbaar gemaakt;
j) de uit de kwaliteitsbeoordelingen voortvloeiende aanbevelingen worden binnen een redelijke termijn opgevolgd door de wettelijke auditor of het auditkantoor.
Ingeval er aan de onder j) bedoelde aanbevelingen geen gevolg wordt gegeven, worden tegen de wettelijke auditor of het auditkantoor, indien van toepassing, tuchtmaatregelen of sancties getroffen als bedoeld in artikel 30.
2. De Commissie kan volgens de procedure van artikel 48, lid 2, uitvoeringsmaatregelen vaststellen om het publieke vertrouwen in de controlefunctie te vergroten en om uniforme toepassing van lid 1, onder a), b) en e) tot en met j), te garanderen.