Art. 4 Richtlijn 2006/22/EG, Wegcontroles

Richtlijn 2006/22/EG

1. De wegcontroles worden op verschillende plaatsen en op wisselende tijdstippen georganiseerd, waarbij een voldoende uitgebreid gedeelte van het wegennet wordt bestreken om het vermijden van controleposten moeilijk te maken.

2. De lidstaten zorgen ervoor:

a) dat er voldoende voorzieningen voor controleposten komen op of nabij bestaande en geplande wegen, en, voor zover noodzakelijk, dat de servicestations en andere veilige plaatsen langs de snelwegen als controlepost kunnen fungeren;

b) dat de controles worden uitgevoerd volgens een systeem van willekeurigheid met inachtneming van een passend geografisch evenwicht.

3. In bijlage I, deel A, is vastgelegd welke punten bij wegcontroles worden gecontroleerd. Indien de situatie dit vereist, kunnen de controles op een specifiek punt worden toegespitst.

4. Zonder afbreuk te doen aan artikel 9, lid 2, worden wegcontroles zonder discriminatie uitgevoerd. Handhavingsambtenaren onthouden zich van iedere discriminatie op een van de onderstaande gronden:

a) het land waar het voertuig is ingeschreven;

b) het land waar de bestuurder zijn verblijfplaats heeft;

c) het land waar de onderneming gevestigd is;

d) het vertrekpunt en de bestemming van de rit;

e) type tachograaf, met name analoog of digitaal.

5. De handhavingsambtenaar beschikt over:

a) een lijst met de voornaamste te controleren punten als vermeld in bijlage I, deel A;

b) de standaard-controleapparatuur vermeld in bijlage II.

6. Indien er op grond van de bevindingen van een in een lidstaat uitgevoerde wegcontrole op de bestuurder van een in een andere lidstaat ingeschreven voertuig, reden bestaat om aan te nemen dat er inbreuken zijn gepleegd die door het ontbreken van de nodige gegevens niet tijdens de controle kunnen worden vastgesteld, helpen de bevoegde instanties van de betrokken lidstaten elkaar bij het ophelderen van de situatie.

Vorige artikelen

Volgende artikelen