Art. 4 Beschikking 2006/504/EG, Aangewezen punten van invoer in de Gemeenschap

Beschikking 2006/504/EG

1. Levensmiddelen mogen alleen in de Gemeenschap worden ingevoerd via één van de in bijlage II vermelde aangewezen punten van invoer.

2. De bevoegde autoriteiten in elke lidstaat zorgen ervoor dat de in bijlage II vermelde aangewezen punten van invoer (12) aan de volgende eisen voldoen:

a) de aanwezigheid van goed opgeleid personeel voor de uitvoering van de officiële controles op zendingen levensmiddelen;

b) de beschikking over gedetailleerde instructies betreffende bemonstering en verzending van de monsters naar het laboratorium overeenkomstig bijlage I bij Verordening (EG) nr. 401/2006;

c) de mogelijkheid om op het aangewezen punt van invoer in een overdekte ruimte te lossen en te bemonsteren; indien de zending moet worden vervoerd om elders te worden bemonsterd, moet de mogelijkheid bestaan om de zending levensmiddelen vanaf het aangewezen punt van invoer onder officiële controle van de bevoegde autoriteit te plaatsen;

d) de beschikking over opslagruimten en entrepots voor de opslag van vastgehouden zendingen in goede omstandigheden gedurende de vasthoudingstermijn, in afwachting van de resultaten van de analyse;

e) de beschikking over loshulpmiddelen en adequate bemonsteringsapparatuur;

f) de beschikking over een geaccrediteerd officieel laboratorium (13) voor de analyse van aflatoxinen, dat zodanig gelegen is dat de monsters er binnen korte tijd naar vervoerd kunnen worden; het laboratorium moet beschikken over verkleiningsapparatuur waarmee monsters van 10-30 kg gehomogeniseerd kunnen worden (14). Het laboratorium moet het monster binnen een redelijke termijn kunnen analyseren, zodat de maximale vasthoudingstermijn van 15 werkdagen voor zendingen in acht wordt genomen.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitanten van levensmiddelenbedrijven voldoende personeel ter beschikking stellen en zorgen voor een adequate logistiek voor het lossen van de levensmiddelen, zodat een representatieve bemonstering mogelijk is.

In het geval van een bijzonder transport en/of bijzondere vormen van verpakking moet het bedrijf/de voor het bedrijf verantwoordelijke exploitant de officiële inspecteur geschikte bemonsteringsapparatuur ter beschikking stellen, voorzover het niet mogelijk is om met de gebruikelijke bemonsteringsapparatuur representatieve monsters te nemen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen