Art. 11 Verordening (EG) nr. 1698/2005, Inhoud
Verordening (EG) nr. 1698/2005
1. Elke lidstaat legt een nationaal strategisch plan voor waarin de prioriteiten van het optreden van het ELFPO en van die lidstaat zijn vermeld, met inachtneming van de communautaire strategische richtsnoeren, de specifieke doelstellingen daarvan, de bijdrage uit het ELFPO en de overige financiële middelen.
2. Het nationaal strategisch plan zorgt voor de coherentie van de communautaire steun voor plattelandsontwikkeling met de communautaire strategische richtsnoeren, en dat de communautaire, nationale en regionale prioriteiten op elkaar zijn afgestemd. Het nationaal strategisch plan vormt een referentie-instrument voor de voorbereiding van de programmering van de bijstand uit het ELFPO. Het wordt uitgevoerd door middel van de programma's voor plattelandsontwikkeling.
3. Elk nationaal strategisch plan bevat:
a) een evaluatie van de economische, sociale en milieusituatie en van de ontwikkelingsmogelijkheden;
b) de voor het gezamenlijke optreden van de Gemeenschap en de betrokken lidstaat gekozen strategie, waarbij de coherentie van de gemaakte keuzen met de communautaire strategische richtsnoeren wordt aangetoond;
c) de thematische en territoriale prioriteiten voor plattelandsontwikkeling in het kader van elke as, met inbegrip van de belangrijkste gekwantificeerde doelstellingen en de passende toezicht- en evaluatie-indicatoren;
d) een lijst van de programma's voor plattelandsontwikkeling om het nationale strategische plan uit te voeren en de indicatieve toewijzing uit het ELFPO per programma, inclusief de bedragen als bedoeld in artikel 12, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1290/2005;
e) de middelen voor de coördinatie met de andere instrumenten van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), het EFRO, het ESF, het CF, het communautair steuninstrument voor de vissserij en de EIB;
f) in voorkomend geval, het bedrag dat beschikbaar is om bij te dragen tot de verwezenlijking van de convergentiedoelstelling;
g) een beschrijving van de regelingen voor het opzetten van het nationale netwerk voor het platteland als bedoeld in artikel 66, lid 3, en artikel 68, met vermelding van het daarvoor bestemde bedrag.