Art. 19 Verordening (EG) nr. 1290/2005, Procedure inzake de begrotingsdiscipline
Verordening (EG) nr. 1290/2005
1. De Commissie dient tegelijk met het voorontwerp van begroting voor begrotingsjaar N haar ramingen voor de begrotingsjaren N — 1, N en N + 1 in bij het Europees Parlement en de Raad. Tegelijkertijd legt zij een analyse voor van de verschillen die voor de begrotingsjaren N — 2 en N — 3 zijn geconstateerd tussen de oorspronkelijke ramingen en de werkelijke uitgaven.
2. Indien bij de opstelling van het voorontwerp van begroting voor begrotingsjaar N blijkt dat het in artikel 12, lid 3, bedoelde nettosaldo voor begrotingsjaar N, rekening houdend met de in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde marge, dreigt te worden overschreden, stelt de Commissie de nodige maatregelen voor aan de Raad, en met name de maatregelen die zijn vereist op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003.
3. Op elk moment stelt de Commissie, indien zij van oordeel is dat het in artikel 12, lid 3, bedoelde nettosaldo overschreden dreigt te worden en dat het haar in het kader van haar beheersbevoegdheden niet mogelijk is de nodige maatregelen te nemen om de situatie te corrigeren, aan de Raad andere maatregelen voor om de inachtneming van dat saldo te waarborgen.
De Raad neemt binnen twee maanden na ontvangst van het voorstel van de Commissie volgens de procedure van artikel 37 van het Verdrag een besluit over die maatregelen. Het Europees Parlement brengt tijdig advies uit zodat de Raad binnen de aangegeven termijn kennis kan nemen van dat advies en een besluit kan nemen.
4. Indien aan het einde van begrotingsjaar N de vergoedingsaanvragen van de lidstaten het overeenkomstig artikel 12, lid 3, vastgestelde nettosaldo overschrijden of kunnen overschrijden, handelt de Commissie als volgt:
a) zij neemt de door de lidstaten ingediende aanvragen naar evenredigheid daarvan en binnen de grenzen van de beschikbare begroting in aanmerking en stelt het bedrag van de betalingen voor de betrokken maand voorlopig vast;
b) uiterlijk op 28 februari van het volgende jaar bepaalt zij voor alle lidstaten hun situatie met betrekking tot de communautaire financiering voor het voorgaande begrotingsjaar;
c) volgens de in artikel 41, lid 3, bedoelde procedure stelt zij, op basis van een uniform percentage van communautaire financiering en binnen de grenzen van de begroting die voor de maandelijke betalingen beschikbaar was, het totaalbedrag van de communautaire financiering, verdeeld over de lidstaten, vast;
d) uiterlijk bij de maandelijkse betalingen voor de maand maart van jaar N + 1 voert zij de verrekeningen uit die eventueel tussen de lidstaten moeten plaatsvinden.