Art. 3, Algemene bepalingen

1. De lidstaten zorgen voor een hoge mate van zekerheid van de elektriciteitsvoorziening door de nodige maatregelen ter bevordering van een stabiel investeringsklimaat te nemen en door de rol en de verantwoordelijkheden van de bevoegde instanties, waaronder in voorkomend geval de regelgevende instanties, en alle relevante marktdeelnemers vast te stellen en daarover informatie bekend te maken. Tot de relevante marktdeelnemers behoren onder meer transport- en distributienetbeheerders, elektriciteitsproducenten, leveranciers en eindafnemers.

2. Bij de uitvoering van de maatregelen als bedoeld in lid 1, houden de lidstaten rekening met:

a) het belang van het waarborgen van een zekere elektriciteitsvoorziening;

b) het belang van een transparant en stabiel regelgevingskader;

c) de interne markt en de mogelijkheden van grensoverschrijdende samenwerking ten behoeve van de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening;

d) de noodzaak om de transport- en distributienetwerken regelmatig te onderhouden en, in voorkomend geval, te vernieuwen om de prestaties ervan op peil te houden;

e) het belang een correcte toepassing van Richtlijn 2001/77/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt (6) en van Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt (7) te waarborgen, voorzover de bepalingen daarvan betrekking hebben op de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening;

f) de noodzaak om voor voldoende transport- en productiereservecapaciteit te zorgen met het oog op operationele stabiliteit,

en

g) het belang van stimulering van de totstandbrenging van liquide groothandelsmarkten.

3. Bij de uitvoering van de maatregelen als bedoeld in lid 1, kunnen de lidstaten ook rekening houden met:

a) de mate van diversifiëring in de elektriciteitsproductie op nationaal of relevant regionaal niveau;

b) het belang van een beperking van de langetermijngevolgen van de groeiende vraag naar elektriciteit;

c) het belang van de bevordering van energie-efficiëntie en de invoering van nieuwe technologieën, met name voor vraagbeheer, hernieuwbare energie en plaatselijke elektriciteitsproductie;

d) het belang van het wegnemen van administratieve belemmeringen voor investeringen in infrastructuur en productiecapaciteit.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat de overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde maatregelen niet discriminerend zijn en geen onredelijke belasting voor de marktdeelnemers, met inbegrip van nieuwkomers op de markt en bedrijven met een klein marktaandeel, vormen. De lidstaten houden tevens reeds vóór de vaststelling van de maatregelen rekening met het effect daarvan op de elektriciteitskosten voor de eindafnemers.

5. Bij het waarborgen van een passend koppelingsniveau tussen de lidstaten, als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder c), moet bijzondere aandacht worden besteed aan

a) de specifieke geografische ligging van iedere lidstaat,

b) de handhaving van een redelijk evenwicht tussen de kosten voor het bouwen van nieuwe koppellijnen en de baten voor de eindafnemers,

en

c) het waarborgen van een zo doeltreffend mogelijk gebruik van de bestaande koppellijnen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen