Art. 4 Richtlijn 2005/85/EG, Bevoegde instanties
1. De lidstaten wijzen voor alle procedures een beslissingsautoriteit aan die de verzoeken naar behoren dient te behandelen overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn, met name artikel 8, lid 2, en artikel 9.
Overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Verordening (EG) nr. 343/2003 worden in een lidstaat ingediende asielverzoeken die gericht zijn aan de autoriteiten van een andere lidstaat die aldaar immigratiecontroles verricht, behandeld door de lidstaat op het grondgebied waarvan het verzoek wordt ingediend.
2. De lidstaten kunnen evenwel in de onderstaande gevallen bepalen dat een andere autoriteit verantwoordelijk is voor:
a) de behandeling van gevallen waarbij overwogen wordt de asielzoeker over te brengen naar een andere staat overeenkomstig de voorschriften tot vaststelling van de criteria en mechanismen om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, en wel tot het moment waarop de overdracht plaatsheeft of de aangezochte staat heeft geweigerd de asielzoeker ten laste te nemen of terug te nemen;
b) het nemen van een beslissing over het verzoek in het licht van de bepalingen inzake nationale veiligheid, op voorwaarde dat de beslissingsautoriteit voorafgaand aan deze beslissing wordt geraadpleegd of de asielzoeker al dan niet in aanmerking komt als vluchteling overeenkomstig Richtlijn 2004/83/EG;
c) het verrichten van een voorafgaand onderzoek uit hoofde van artikel 32, mits deze autoriteit toegang heeft tot het dossier van de asielzoeker betreffende het vorige asielverzoek;
d) de behandeling van gevallen in het kader van de procedure van artikel 35, lid 1;
e) het weigeren van de toegang in het kader van de procedure van artikel 35, leden 2 tot en met 5, onder de in deze leden bepaalde voorwaarden;
f) de vaststelling dat een asielzoeker de lidstaat vanuit een veilig derde land is binnengekomen of tracht binnen te komen vanuit een veilig derde land overeenkomstig artikel 36, onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden.
3. Bij het aanwijzen van autoriteiten overeenkomstig het bepaalde in lid 2 dragen de lidstaten er zorg voor dat het personeel van deze autoriteiten over de passende kennis beschikt of de nodige opleiding krijgt om zijn verplichtingen in het kader van de toepassing van deze richtlijn na te komen.