Art. 48 Verordening (EG) nr. 2201/2003, Modaliteiten van uitoefening van het omgangsrecht

Verordening (EG) nr. 2201/2003

1. De gerechten van de lidstaat van tenuitvoerlegging kunnen modaliteiten van uitoefening van het omgangsrecht vaststellen indien de noodzakelijke modaliteiten niet of onvoldoende zijn voorzien in de beslissing van de gerechten van de lidstaat die bevoegd zijn ten gronde over de zaak te beslissen, mits de wezenlijke bestanddelen van die beslissing worden geeerbiedigd.

2. De overeenkomstig lid 1 vastgestelde modaliteiten houden op van toepassing te zijn wanneer later een beslissing terzake wordt gegeven door de gerechten van de lidstaat die bevoegd zijn ten gronde over de zaak te beslissen.