Art. 107, Braaklegging

1. In geval van toepassing van artikel 71 zijn landbouwers die de areaalbetaling aanvragen, verplicht een deel van het areaal van hun bedrijf tegen compensatie uit productie te nemen.

2. De braakleggingsverplichting wordt voor elke landbouwer die areaalbetalingen aanvraagt, vastgesteld als een proportioneel gedeelte van zijn areaal dat met akkerbouwgewassen is ingezaaid en waarvoor een aanvraag wordt ingediend en dat overeenkomstig dit hoofdstuk uit productie wordt genomen.

Het basispercentage van de braakleggingsverplichting wordt vastgesteld op 10 % voor de verkoopseizoenen 2005/2006 en 2006/2007.

3. De braakgelegde grond mag worden gebruikt voor:

- de productie van grondstoffen voor de vervaardiging, in de Gemeenschap, van niet rechtstreeks voor voeding of vervoedering bestemde producten, op voorwaarde dat er doeltreffende controlesystemen worden toegepast;

- de teelt van leguminosen op een landbouwbedrijf dat voor de gehele productie wordt beheerd in overeenstemming met de in Verordening (EEG) nr. 2092/91 vastgelegde verplichtingen.

De lidstaten mogen nationale steun betalen tot een maximum van 50 % van de aanplantkosten van meerjarige gewassen voor de productie van biomassa op braakgelegde grond.

4. De hoeveelheid voor voeding of vervoedering bestemde bijproducten die vermoedelijk beschikbaar komen ten gevolge van de teelt van oliehoudende zaden op braakgelegde grond, krachtens lid 3, eerste streepje, wordt in aanmerking genomen voor de eerbiediging van het in artikel 56, lid 3, genoemde maximum van 1 miljoen metrieke ton.

5. Als verschillende opbrengsten zijn vastgesteld voor bevloeide en niet bevloeide oppervlakten, geldt de betaling voor braaklegging voor niet-bevloeide oppervlakten.

6. De betaling voor braaklegging kan aan de landbouwers worden verleend voor vrijwillige braaklegging die hun verplichting overschrijdt. De lidstaten staan landbouwers toe tot ten minste 10 % braak te leggen van het areaal dat met akkerbouwgewassen is ingezaaid en waarvoor een areaalbetaling wordt aangevraagd, en dat overeenkomstig dit artikel uit productie wordt genomen. De lidstaten mogen hogere percentages vaststellen rekening houdend met specifieke situaties, waarbij moet worden gewaarborgd dat cultuurgrond in toereikende mate wordt gebruikt. In geval van toepassing van artikel 66, wordt dit lid toegepast volgens nadere regels die door de Commissie worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 144, lid 2.

7. Landbouwers die een betalingsaanvraag indienen voor een kleinere oppervlakte dan die welke volgens de voor hun regio vastgestelde opbrengsten nodig is om 92 ton granen te produceren, zijn vrijgesteld van de braakleggingsverplichting. Lid 6 is van toepassing op deze landbouwers.

8. Onverminderd het bepaalde in artikel 108 mogen

- oppervlakten die op grond van de artikelen 22 t/m 24 van Verordening (EG) nr. 1257/99 uit productie zijn genomen en die noch voor agrarische doeleinden worden gebruikt, noch voor andere winstgevende bestemmingen dan voor andere krachtens deze verordening uit de productie genomen oppervlakten worden aanvaard, of

- oppervlakten die overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 zijn bebost,

naar aanleiding van een na 28 juni 1995 ingediende aanvraag tot een maximum per bedrijf dat door de betrokken lidstaat kan worden vastgesteld, worden meegerekend als uit productie genomen in de zin van de braakleggingsverplichting van lid 1. Een dergelijk maximum wordt alleen vastgesteld wanneer dit noodzakelijk is om te vermijden dat een onevenredig groot bedrag van de voor deze regeling beschikbare middelen gebruikt wordt voor een klein aantal bedrijven.

Op deze oppervlakten wordt de in artikel 104 bedoelde areaalbetaling echter niet verleend en wordt de steun op grond van artikel 24, lid 1, of artikel 31, lid 1, tweede streepje, van Verordening (EG) nr. 1257/1999 beperkt tot een bedrag dat maximaal gelijk is aan de areaalbetaling voor braaklegging bedoeld in artikel 104.

De lidstaten kunnen besluiten de regeling van dit lid niet toe te passen op nieuwe aanvragers in gebieden waar het risico van een aanzienlijke overschrijding van het regionale basisareaal voortdurend aanwezig is.

9. Braakgelegde oppervlakten bestrijken ten minste 0,1 ha en zijn ten minste 10 meter breed. De lidstaten mogen om naar behoren gemotiveerde milieuredenen oppervlakten met een minimumbreedte van 5 meter en een oppervlakte van 0,05 ha aanvaarden.

Uitspraken die dit artikel aanhalen