Art. 12 Richtlijn 2003/6/EG
1. Aan de bevoegde autoriteit worden alle toezichts- en onderzoeksbevoegdheden verleend die nodig zijn voor de vervulling van haar taken. Zij oefent deze bevoegdheden als volgt uit:
a) rechtstreeks, dan wel
b) in samenwerking met andere autoriteiten of met de ondernemingen op de markt, dan wel
c) onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit die haar bevoegdheden aan die instanties of ondernemingen op de markt delegeert, dan wel
d) middels een verzoek aan de bevoegde rechterlijke instanties.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 6, lid 7, worden de bevoegdheden bedoeld in lid 1 uitgeoefend in overeenstemming met de nationale wetgeving, en omvatten ze ten minste het recht om:
a) toegang te verkrijgen tot ieder document, in enigerlei vorm, en een afschrift hiervan te ontvangen;
b) inlichtingen te verlangen van iedere persoon met inbegrip van degenen die achtereenvolgens betrokken zijn bij het doorgeven van handelsorders of de uitvoering van de desbetreffende transacties, alsook hun opdrachtgevers, en in voorkomend geval een persoon op te roepen en te horen;
c) ter plaatse inspecties te verrichten;
d) bestaande overzichten van telefoon- en dataverkeer te vereisen;
e) te eisen dat een praktijk die in strijd is met de krachtens deze richtlijn vastgestelde bepalingen, wordt beëindigd;
f) de handel in de betrokken financiële instrumenten op te schorten;
g) de bevriezing en/of beslaglegging op activa te verlangen;
h) een tijdelijk verbod op beroepsuitoefening te verlangen.
3. Dit artikel laat eventuele bepalingen van nationaal recht inzake het beroepsgeheim onverlet.