Art. 29 Richtlijn 2002/87/EG, Wijzigingen van Richtlijn 2000/12/EG
Richtlijn 2000/12/EG wordt als volgt gewijzigd:
1. artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
a) punt 9 wordt vervangen door:
"9. 'deelneming voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis en voor de toepassing van artikel 34, lid 2, punten 15 en 16': een deelneming in de zin van artikel 17, eerste zin, van Richtlijn 78/660/EEG of de rechtstreekse of middellijke eigendom van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van een onderneming;";
b) de punten 21 en 22 worden vervangen door:
"21. 'financiële holding': een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen of financiële instellingen zijn, van welke dochterondernemingen er ten minste één een kredietinstelling is, en die geen gemengde financiële holding is in de zin van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat(31);
22. 'gemengde holding': een moederonderneming die geen financiële holding, kredietinstelling of gemengde financiële holding in de zin van Richtlijn 2002/87/EG is en die onder haar dochterondernemingen ten minste één kredietinstelling telt;";
2. aan artikel 12 worden de volgende alinea's toegevoegd:
"De bevoegde autoriteit van een betrokken lidstaat die verantwoordelijk is voor het toezicht op verzekeringsondernemingen of beleggingsondernemingen wordt geraadpleegd alvorens een vergunning wordt verleend aan een kredietinstelling die:
a) een dochteronderneming is van een verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend, dan wel
b) een dochteronderneming is van de moederonderneming van een verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend, dan wel
c) onder de zeggenschap staat van dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend.
De in de eerste en de tweede alinea bedoelde relevante bevoegde autoriteiten raadplegen elkaar in het bijzonder indien de geschiktheid van de aandeelhouders en de reputatie en ervaring van de bij de leiding van een andere entiteit van dezelfde groep betrokken bestuurders worden beoordeeld. Zij stellen elkaar in kennis van alle informatie betreffende de geschiktheid van de aandeelhouders en de reputatie en ervaring van bestuurders welke van belang is voor de andere betrokken bevoegde autoriteiten, voor het verlenen van een vergunning, alsook voor de doorlopende toetsing van de naleving van de voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening.";
3. artikel 16, lid 2, wordt vervangen door:
"2. Indien de verwerver van de in lid 1 bedoelde deelnemingen een kredietinstelling, verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming is waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, of een moederonderneming van een kredietinstelling, verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, of een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een kredietinstelling, verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, en indien de entiteit waarin de verwerver een deelneming beoogt te houden, daardoor een dochteronderneming van de verwerver wordt of onder zijn zeggenschap komt, moet zijn acquisitie worden beoordeeld volgens de procedure van voorafgaande raadpleging bedoeld in artikel 12.";
4. artikel 34, lid 2, wordt als volgt gewijzigd:
a) in de eerste alinea worden de punten 12 en 13 vervangen door de volgende tekst:
"12. deelnemingen in andere kredietinstellingen en in financiële instellingen ten belope van meer dan 10 % van het kapitaal van die instellingen;
13. achtergestelde schuldvorderingen en de in artikel 35 en artikel 36, lid 3, bedoelde, in het bezit van de kredietinstelling zijnde schuldtitels uitgegeven door kredietinstellingen en financiële instellingen waarin zij voor meer dan 10 % van hun kapitaal deelneemt;
14. deelnemingen in andere kredietinstellingen en andere financiële instellingen ten belope van 10 % of minder van het kapitaal van die instellingen, alsook achtergestelde schuldvorderingen en de in artikel 35 en artikel 36, lid 3, bedoelde, in het bezit van de kredietinstelling zijnde schuldtitels, uitgegeven door andere dan de in de punten 12 en 13 bedoelde kredietinstellingen en andere financiële instellingen, voor het bedrag van het totaal van deze deelnemingen, achtergestelde schuldvorderingen en schuldtitels dat 10 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling, berekend vóór de aftrek van de bestanddelen genoemd in de punten 12 tot en met 16 te boven gaat;
15. deelnemingen in de zin van artikel 1, punt 9, die een kredietinstelling houdt in
- verzekeringsondernemingen in de zin van artikel 6 van Richtlijn 73/239/EEG, artikel 6 van Richtlijn 79/267/EEG of artikel 1, onder b), van Richtlijn 98/78/EG van het Europees Parlement en de Raad(32);
- herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 1, onder c), van Richtlijn 98/78/EG;
- herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 1, onder i), van Richtlijn 98/78/EG;
16. elk van de volgende bestanddelen die de kredietinstelling houdt jegens de in punt 15 omschreven entiteiten waarin zij een deelneming heeft:
- de in artikel 16, lid 3, van Richtlijn 73/239/EEG bedoelde instrumenten;
- de in artikel 18, lid 3, van Richtlijn 79/267/EEG bedoelde instrumenten;";
b) in de tweede alinea wordt de eerste zin vervangen door:
"Indien aandelen in een andere kredietinstelling, financiële instelling, verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding tijdelijk worden gehouden met het oog op een financiële bijstandsoperatie, bedoeld om die entiteit te saneren en te redden, kan de bevoegde autoriteit ontheffing van de bepalingen inzake aftrek als bedoeld in de punten 12 tot en met 16 verlenen.
Als alternatief voor de aftrek van de in de punten 15 en 16 genoemde bestanddelen mogen de lidstaten hun kredietinstellingen toestaan mutatis mutandis de methoden 1, 2 of 3 van bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG toe te passen. Methode 1 ('Consolidatie van jaarrekeningen') wordt alleen toegepast indien de bevoegde autoriteit overtuigd is van het niveau van geïntegreerd beheer en interne controle van de entiteiten die onder de consolidatie zouden vallen. De gekozen methode wordt in de loop van de tijd consequent toegepast.
Voor de berekening van het eigen vermogen op individuele basis, kunnen de lidstaten bepalen dat kredietinstellingen die onderworpen zijn aan toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig hoofdstuk 3 of aan het aanvullende toezicht overeenkomstig Richtlijn 2002/87/EG, de in de punten 12 tot en met 16 bedoelde bestanddelen die worden gehouden in kredietinstellingen, financiële instellingen, verzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings of herverzekeringsondernemingen die onder het toepassingsgebied van het toezicht op geconsolideerde basis of van het aanvullende toezicht vallen, niet hoeven af te trekken.
Deze bepalingen zijn van toepassing op alle prudentiële regels die op Gemeenschapsniveau zijn geharmoniseerd.";
5. artikel 51, lid 3, wordt vervangen door:
"3. De lidstaten behoeven de in de leden 1 en 2 bepaalde beperkingen niet toe te passen voor deelnemingen in verzekeringsondernemingen als gedefinieerd in Richtlijn 73/239/EEG en Richtlijn 79/267/EEG, of in herverzekeringsondernemingen als gedefinieerd in Richtlijn 98/78/EG.";
6. artikel 52, lid 2, laatste zin, wordt vervangen door:
"Onverminderd artikel 54 bis houdt de consolidatie van de financiële positie van de financiële holding voor de bevoegde autoriteiten geenszins de verplichting in de financiële holding te onderwerpen aan toezicht op individuele basis.";
7. artikel 54 wordt als volgt gewijzigd:
a) aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:
"Indien ondernemingen verbonden zijn door een betrekking in de zin van artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, bepalen de bevoegde autoriteiten hoe de consolidatie moet worden uitgevoerd.";
b) in lid 4, eerste alinea, komt het derde streepje te vervallen;
8. het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 54 bis
Leidinggevend orgaan van financiële holdings
De lidstaten eisen dat personen die het bedrijf van een financiële holding feitelijk leiden, voldoende betrouwbaarheid en voldoende ervaring bezitten om deze functies uit te oefenen.";
9. het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 55 bis
Intragroeptransacties bij gemengde holdings
Onverminderd het bepaalde in titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, van deze richtlijn bepalen de lidstaten dat, indien de moederonderneming van één of meer kredietinstellingen een gemengde holding is, de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op deze kredietinstellingen algemeen toezicht uitoefenen op de transacties tussen de kredietinstellingen en de gemengde holding en haar dochterondernemingen.
De bevoegde autoriteiten verlangen dat de kredietinstellingen beschikken over adequate risicobeheer- en internecontroleprocedures, met inbegrip van gedegen rapportage- en jaarrekeningsystemen, met het oog op een juiste herkenning, meting, bewaking en controle van de transacties met de gemengde moederholding en haar dochterondernemingen. De bevoegde autoriteiten verlangen tevens dat de kredietinstellingen alle andere significante transacties met deze entiteiten rapporteren, naast de transacties bedoeld in artikel 48. Deze procedures en significante transacties worden gecontroleerd door de bevoegde autoriteiten.
Indien de bovengenoemde intragroeptransacties een bedreiging voor de financiële positie van een kredietinstelling vormen, neemt de voor het toezicht op de instelling bevoegde autoriteit passende maatregelen.";
10. aan artikel 56, lid 7, wordt de volgende zin toegevoegd:
"De verzoekende bevoegde autoriteit kan indien zij dat wenst aan de verificatie deelnemen indien zij deze niet zelf verricht.";
11. het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 56 bis
Moederondernemingen uit derde landen
Indien de moederonderneming van een kredietinstelling een kredietinstelling of een financiële holding met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap is en er op de kredietinstelling geen toezicht op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in artikel 52, verifiëren de bevoegde autoriteiten of de kredietinstelling onderworpen is aan door de bevoegde autoriteit van een derde land uitgeoefend toezicht op geconsolideerde basis dat gelijkwaardig is met dat van de in artikel 52 neergelegde beginselen. De verificatie geschiedt door de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk zou zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis indien de vierde alinea van toepassing was, op verzoek van de moederondernming of van een van de gereglementeerde autoriteiten die in de Gemeenschap een vergunning hebben verkregen, dan wel op haar eigen initiatief. Die bevoegde autoriteit raadpleegt de andere betrokken bevoegde autoriteiten.
Het Raadgevend Comité voor het bankwezen kan algemene richtsnoeren verstrekken over de vraag of de regelingen inzake geconsolideerd toezicht van de bevoegde autoriteiten in derde landen waarschijnlijk de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis zullen verwezenlijken zoals die in dit hoofdstuk zijn bepaald, voor de kredietinstellingen waarvan de moederonderneming haar hoofdbestuur buiten de Gemeenschap heeft. Het Comité werkt die richtsnoeren bij en houdt rekening met alle wijzigingen in de regelingen inzake geconsolideerd toezicht die door die bevoegde autoriteiten worden toegepast.
De bevoegde autoriteit die de in de vorige alinea bedoelde verificatie uitvoert, neemt die richtsnoeren in aanmerking. De bevoegde autoriteit raadpleegt te dien einde het comité voordat zij haar besluit neemt.
Indien een dergelijk gelijkwaardig toezicht ontbreekt, passen de lidstaten naar analogie op de kredietinstelling het bepaalde in artikel 52 toe.
Als alternatief staan de lidstaten hun bevoegde autoriteiten toe andere passende toezichtmethoden toe te passen waarmee de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen worden gerealiseerd. Over deze methoden moet overeenstemming worden bereikt door de betrokken bevoegde autoriteit die verantwoordelijk zou zijn voor het geconsolideerde toezicht, zulks na overleg met de andere bevoegde autoriteiten. De bevoegde autoriteiten kunnen meer bepaald verlangen dat een financiële holding met hoofdbestuur in de Gemeenschap wordt opgericht en op de geconsolideerde positie van deze financiële holding de bepalingen inzake het toezicht op geconsolideerde basis toepassen. De methoden moeten de mogelijkheid bieden de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis als omschreven in dit hoofdstuk te verwezenlijken, en moeten aan de overige betrokken bevoegde autoriteiten en de Commissie worden medegedeeld.".