Art. 4 Richtlijn 2002/55/EG

Richtlijn 2002/55/EG

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat een ras slechts wordt toegelaten indien het onderscheidbaar, bestendig en voldoende homogeen is.

Bij cichorei voor de industrie moet het ras voldoende cultuur- en gebruikswaarde hebben.

2. Genetisch gemodificeerde rassen in de zin van artikel 2, punten 1 en 2, van Richtlijn 90/220/EEG mogen alleen worden toegelaten wanneer alle passende maatregelen zijn genomen ter voorkoming van negatieve effecten voor de volksgezondheid en het milieu.

3. Indien evenwel van een plantenras afgeleid materiaal bestemd is voor gebruik als voedingsmiddel of voedselingrediënt in de zin van Verordening (EG) nr. 258/97 mogen de voedingsmiddelen en voedselingrediënten:

- geen gevaar voor de consument inhouden,

- de consument niet misleiden,

- niet zodanig verschillen van de voedingsmiddelen of voedselingrediënten waarvoor zij als vervanging dienen, dat de normale consumptie ervan uit voedingsoogpunt nadelig zou zijn voor de consument.

4. In het belang van de instandhouding van plantaardige genetische bronnen zoals bedoeld in artikel 44, lid 2, kunnen de lidstaten afwijken van de aanvaardingscriteria in het eerste lid, mits er specifieke voorwaarden worden gesteld overeenkomstig de in artikel 46, lid 2, bedoelde procedure met inachtneming van de vereisten van artikel 44, lid 3.

Vorige artikelen

Volgende artikelen