Art. 14 Richtlijn 2002/55/EG

Richtlijn 2002/55/EG

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de toelating van een ras wordt ingetrokken:

a) indien bij het onderzoek is aangetoond dat een ras niet meer onderscheidbaar, bestendig of voldoende homogeen is,

b) op verzoek van de voor het ras verantwoordelijke persoon of personen, tenzij een instandhouding verzekerd blijft.

2. De lidstaten kunnen de toelating van een ras intrekken:

a) wanneer de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die uit hoofde van deze richtlijn zijn vastgesteld, niet worden nagekomen,

b) wanneer bij de aanvraag tot toelating of bij het onderzoek onjuiste of misleidende inlichtingen zijn verstrekt ten aanzien van feiten waarvan de toelating afhankelijk is gesteld.

Vorige artikelen

Volgende artikelen