Art. 11 Richtlijn 2002/55/EG
1. De lidstaten schrijven voor dat de toegelaten rassen systematisch in stand worden gehouden.
2. De instandhouding moet altijd kunnen worden gecontroleerd aan de hand van aantekeningen, gemaakt door de voor het ras verantwoordelijke persoon of personen. Deze aantekeningen moeten eveneens betrekking hebben op de productie van alle aan het basiszaad voorafgaande generaties.
3. Aan de voor het ras verantwoordelijke personen kunnen monsters worden gevraagd. Zo nodig kunnen deze officieel worden genomen.
4. Wanneer de instandhouding geschiedt in een andere lidstaat dan die waar het ras is toegelaten, verlenen de betrokken lidstaten elkander bij de controle officiële medewerking.