Art. 4 Richtlijn 2002/53/EG

Richtlijn 2002/53/EG

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat een ras slechts wordt toegelaten indien het onderscheidbaar, bestendig en voldoende homogeen is. Het ras moet voldoende cultuur- en gebruikswaarde bezitten.

2. Een onderzoek van de cultuur- en gebruikswaarde is niet noodzakelijk:

a) voor de toelating van grasrassen, indien de kweker verklaart dat het zaaizaad van zijn ras niet bestemd is voor de teelt van voedergewassen,

b) voor de toelating van rassen waarvan het zaad bestemd is voor verkoop in een andere lidstaat die deze rassen mede op grond van hun cultuur- en gebruikswaarde heeft toegelaten,

c) voor de toelating van rassen (ingeteelde stammen, hybriden) die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik als kruisingspartner voor hybriderassen die voldoen aan de in lid 1 vermelde eisen.

3. Bij rassen waarop lid 2, onder a), van toepassing is, kan volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure en voorzover dat in het belang van het vrije verkeer van zaad binnen de Gemeenschap gerechtvaardigd is, worden besloten dat na een passend onderzoek moet blijken dat de rassen geschikt zijn voor het gebruik waarvoor zij volgens verklaring bestemd zijn. In dergelijke gevallen moeten de voorwaarden voor het onderzoek worden vastgesteld.

4. Genetisch gemodificeerde rassen in de zin van artikel 2, punten 1 en 2, van Richtlijn 90/220/EEG mogen alleen worden toegelaten wanneer alle passende maatregelen zijn genomen ter voorkoming van negatieve effecten voor de volksgezondheid en het milieu.

5. Indien evenwel van een plantenras afgeleid materiaal bestemd is voor gebruik als voedingsmiddel of voedselingrediënt in de zin van Verordening (EG) nr. 258/97 mogen die voedingsmiddelen en voedselingrediënten

- geen gevaar voor de consument inhouden,

- de consument niet misleiden,

- niet zodanig verschillen van de voedingsmiddelen of voedselingrediënten waarvoor zij als vervanging dienen, dat de normale consumptie ervan uit voedingsoogpunt voor de consument nadelig zou zijn.

6. In het belang van de instandhouding van plantaardige genetische bronnen zoals bedoeld in artikel 20, lid 2, kunnen de lidstaten afwijken van de aanvaardingscriteria in de eerste zin van lid 1, mits er specifieke voorwaarden worden gesteld volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure met inachtneming van de vereisten van artikel 20, lid 3, onder a) en b).

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen