Art. 21, Beslechting van grensoverschrijdende geschillen
1. Wanneer op een onder deze richtlijn of de bijzondere richtlijnen vallend gebied tussen partijen in verschillende lidstaten een grensoverschrijdend geschil ontstaat, en indien dat onder de bevoegdheid van nationale regelgevende instanties van op zijn minst twee lidstaten valt, is de procedure van de leden 2, 3 en 4 van toepassing.
2. Elke partij kan het geschil voorleggen aan de betrokken nationale regelgevende instanties. Die coördineren hun werkzaamheden om een oplossing voor het geschil te vinden, overeenkomstig de doelstellingen van artikel 8. Wanneer de nationale regelgevende instantie een verplichting aan een onderneming oplegt met het oog op het beslechten van een geschil, dienen de bepalingen van deze richtlijn of van de bijzondere richtlijnen te worden nageleefd.
3. De lidstaten kunnen bepalen dat de nationale regelgevende instanties gezamenlijk besluiten een geschil niet te beslechten wanneer er andere mechanismen bestaan, met inbegrip van bemiddeling, die beter zouden kunnen bijdragen tot het tijdig beslechten van het geschil overeenkomstig artikel 8. Zij stellen de partijen onverwijld daarvan in kennis. Wanneer het geschil binnen vier maanden niet is beslecht, indien het geschil niet voor de rechter is gebracht en indien een van beide partijen daarom verzoekt, coördineren de nationale regelgevende instanties hun werkzaamheden om een oplossing voor het geschil te vinden, overeenkomstig artikel 8.
4. De procedure van lid 2 laat het recht van elk van beide partijen onverlet om een zaak bij de rechtbank aanhangig te maken.