Art. 8, Oplegging, wijziging of opheffing van verplichtingen
1. De lidstaten zien erop toe dat de nationale regelgevende instanties de nodige bevoegdheden krijgen om de in de artikelen 9, 10, 11, 12 en 13 van deze richtlijn vermelde verplichtingen op te leggen.
2. Wanneer een overeenkomstig artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) verrichte marktanalyse uitwijst dat een exploitant een aanmerkelijke macht op een specifieke markt bezit, leggen de nationale regelgevende instanties hem, waar passend, de in de artikelen 9, 10, 11, 12 en 13 van deze richtlijn genoemde verplichtingen op.
3. Onverminderd
- de artikelen 5, leden 1 en 2, en artikel 6;
- de artikelen 12 en 13 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn), Voorwaarde 7 in Sectie B van de bijlage bij Richtlijn 2002/20/EG (machtigingsrichtlijn) toegepast krachtens artikel 6, lid 1, van die richtlijn, en artikelen 27, 28 en 30 van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn), en de relevante bepalingen van Richtlijn 97/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de telecommunicatie-sector(17), die verplichtingen opleggen aan die ondernemingen die niet zijn aangemerkt als ondernemingen met een aanmerkelijke marktmacht; of
- de noodzaak aan internationale verbintenissen te voldoen,
leggen de nationale regelgevende instanties de in de artikelen 9 tot en met 13 vermelde verplichtingen niet op aan exploitanten die niet overeenkomstig lid 2 zijn aangewezen.
Wanneer een nationale regelgevende instantie in uitzonderlijke omstandigheden voornemens is aan exploitanten met een aanmerkelijke marktmacht andere verplichtingen met betrekking tot toegang of interconnectie op te leggen dan die welke zijn vermeld in de artikelen 9 tot en met 13 van deze richtlijn, vraagt zij daarvoor toestemming aan de Commissie. De Commissie neemt overeenkomstig artikel 14, lid 2, een besluit dat de nationale regelgevende instantie toestaat of verhindert dergelijke maatregelen te nemen.
4. De overeenkomstig dit artikel opgelegde verplichtingen worden op de aard van het geconstateerde probleem gebaseerd en in het licht van de doelstellingen van artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) proportioneel toegepast en gerechtvaardigd. Die verplichtingen worden alleen opgelegd na overleg als bedoeld in de artikelen 6 en 7 van die richtlijn.
5. Met betrekking tot lid 3, eerste alinea, derde streepje, geven de nationale regelgevende instanties de Commissie kennis van besluiten om voor marktpartijen in de Gemeenschap geldende verplichtingen op te leggen, te wijzigen of op te heffen, volgens de procedure van artikel 7 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 17 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:218
- CBb 3 mei 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BQ3146
- CBb 29 augustus 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AY7997
- CBb 10 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:213
- CBb 3 september 2015, ECLI:NL:CBB:2015:280
- CBb 30 november 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AZ3361
- CBb 11 juni 2013, ECLI:NL:CBB:2013:CA2714
- CBb 1 februari 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BV2285
- CBb 7 mei 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BD1064
- CBb 14 mei 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA4935
- CBb 13 januari 2015, ECLI:NL:CBB:2015:4
- CBb 25 september 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BB4187
- CBb 24 juli 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BB0186
- CBb 20 maart 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA1008
- Rb. Den Haag 29 januari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:1004
- CBb 3 februari 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BL4028
- CBb 11 mei 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA4880
- CBb 9 mei 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA4659
- CBb 20 maart 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA1009
- CBb 21 december 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AU8622